ECLI:NL:RBGEL:2024:7068

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 oktober 2024
Publicatiedatum
17 oktober 2024
Zaaknummer
C/05/440524 / KG ZA 24-300
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • J.T. van Belzen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering vader tot schoolgang vierjarige dochter in kort geding

De vader vordert in kort geding dat de moeder wordt verplicht hun vierjarige dochter naar school te brengen en haar ook weer van school op te halen. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over het kind en hebben afspraken gemaakt over de zorgregeling. Het kind is ingeschreven op een basisschool, maar de moeder weigert het kind naar deze school te brengen omdat het kind nog niet leerplichtig is en zij een hoger beroep heeft ingesteld tegen de eerdere beslissing van de rechtbank.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vader geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, omdat het kind nog niet leerplichtig is en de moeder niet verplicht is het kind nu naar school te brengen. Bovendien moet de hoger beroepsprocedure worden afgewacht om te voorkomen dat het kind eerst naar een school gaat en daarna mogelijk moet overstappen naar een andere school die de moeder prefereert.

Daarnaast is het van belang dat het kind nog meerdere dagen per week naar een kinderdagverblijf gaat, waardoor zij contact heeft met leeftijdsgenoten. De voorzieningenrechter vindt dat het niet naar school gaan niet zodanig tegen het belang van het kind indruist dat een onmiddellijke voorziening noodzakelijk is. De vordering wordt daarom afgewezen en de vader wordt niet-ontvankelijk verklaard. Iedere partij draagt zijn eigen proceskosten.

Uitkomst: De vader wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering om de moeder te verplichten hun dochter naar school te laten gaan.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/440524 / KG ZA 24-300
Vonnis in kort geding van 8 oktober 2024
in de zaak van
[naam vader],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. M. Haverkort te Bilthoven,
tegen
[naam moeder],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. W. Vahl te Barneveld.
Partijen zullen hierna de vader en de moeder genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding, betekend op 4 september 2024;
  • de conclusie van antwoord van 20 september 2024, ingekomen bij de griffie op
23 september 2024;
- de mondelinge behandeling van 24 september 2024, waarbij de ouders en hun advocaten zijn verschenen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Uit het huwelijk van de ouders is geboren het minderjarige kind:
- [naam kind] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [kind] .
2.2.
Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 16 november 2020 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Het huwelijk is op 26 november 2020 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] .
2.3.
[kind] heeft twee broers en een zus die uit het huwelijk van de ouders zijn geboren. Na de echtscheiding heeft [kind] ook nog een zusje gekregen. Deze procedure heeft echter alleen betrekking op [kind] .
2.4.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind] .
2.5.
De ouders hebben met elkaar afspraken gemaakt over de verzorging en opvoeding van de oudste vier kinderen (dus ook over [kind] ). Deze afspraken zijn neergelegd in een ouderschapsplan dat door de ouders is ondertekend op 30 oktober 2020. De ouders zijn in het ouderschapsplan - onder meer - overeengekomen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben. Ook zijn de ouders de volgende regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) overeengekomen:
“in de oneven week komt de vader op vrijdag de kinderen om 18.30 uur halen bij de moeder nadat de kinderen hebben gegeten. Op zondag brengt de vader de kinderen om 18.30 uur terug nadat de kinderen hebben gegeten”.
2.6.
Bij beschikking van 5 juni 2024 heeft deze rechtbank de vader vervangende toestemming gegeven om [kind] in te schrijven als leerling van school [naam school 1] te [plaats] (hierna: [school 1] ).

3.Het geschil

3.1.
De vader vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de moeder te verplichten [kind] op schooldagen naar [school 1] te (laten) brengen en haar op schooldagen ook weer van deze school op te (laten) halen;
  • de moeder te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 500 aan de vader voor iedere overtreding van dit vonnis tot een maximum van € 100.000;
  • de moeder te veroordelen in alle kosten rechtens van deze procedure, het salaris van de advocaat van de vader daarin begrepen.
3.2.
De moeder voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.
Op grond van artikel 254 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist, de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vader geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering en zal hem daarom niet-ontvankelijk verklaren. De voorzieningenrechter zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
4.3.
Gebleken is dat [kind] na de uitspraak van de rechtbank van 5 juni 2024 is ingeschreven op [school 1] . De moeder weigert echter om [kind] naar deze school te brengen. Waar de vader het belangrijk vindt voor de ontwikkeling van [kind] dat zij naar school gaat, beroept de moeder zich op het feit dat [kind] nog niet leerplichtig is. Daarnaast heeft de moeder hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank van
5 juni 2024. Zij vindt dat deze hoger beroepsprocedure afgewacht moet worden, zodat voorkomen wordt dat [kind] eerst naar [school 1] gaat en daarna alsnog over moet gaan naar een school die moeders voorkeur geniet (namelijk de [school 2] ). Ook gaat [kind] nog steeds drie dagen per week naar een kinderdagverblijf, waardoor zij wel contact heeft met leeftijdsgenoten.
4.4.
De vader vindt dat de moeder [kind] naar school moet laten gaan, omdat dit anders in strijd is met de belangen van [kind] . Zij heeft nu al een aantal weken gemist en als het hoger beroep afgewacht moet worden, zal het nog langer duren voordat [kind] naar school gaat. De vader blijft van mening dat [kind] naar [school 1] moet gaan en niet naar de [school 2] . Die school is te streng gelovig en sluit niet aan bij de leefwereld van de vader, en naar zijn mening ook niet bij de feitelijke leefwereld van de moeder. De moeder doet naar de buitenwereld voorkomen alsof zij voldoet aan de voorwaarden die worden gesteld door de [school 2] , terwijl dit niet zo is. Daarmee brengt zij onder andere [kind] in vertwijfeling.
4.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vader geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Hoewel de meeste kinderen naar de basisschool gaan als zij vier jaar zijn, valt [kind] , los van de vraag of het in haar belang is dat zij nu al naar de basisschool gaat, echter de komende maanden nog niet onder de leerplicht. De moeder is daarom niet verplicht om [kind] nu naar school te brengen, ook al staat [kind] daar ingeschreven.
Los hiervan is de voorzieningenrechter van oordeel dat de hoger beroepsprocedure afgewacht dient te worden. De voorzieningenrechter deelt het standpunt van de moeder dat het niet in het belang is van [kind] dat zij eerst gewend raakt aan [school 1] om vervolgens te moeten starten op de [school 2] . In dit kader acht de voorzieningenrechter het ook van belang dat het Gerechtshof door het vonnis van de voorzieningenrechter niet wordt geconfronteerd met het feit dat [kind] al weken of maanden naar [school 1] gaat, wat van invloed kan zij op de beslissing van het Gerechtshof. Daarnaast betreft de schoolgang van [kind] een principiële zaak, nu het een geloofskwestie betreft.
De voorzieningenrechter overweegt hierbij ook dat de moeder onbetwist heeft gesteld dat [kind] op dit moment nog wel meerdere keren per week naar een kinderdagverblijf gaat, waardoor zij contact heeft en blijft houden met andere kinderen. Kinderen van vier jaar oud kunnen ook gedurende het schooljaar nog instromen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het feit dat [kind]
op dit momentniet naar [school 1] gaat, niet zodanig indruist tegen het belang van [kind] dat een ordemaatregel noodzakelijk is.
Dwangsom
4.6.
Omdat de voorzieningenrechter de vader niet-ontvankelijk verklaart in zijn vordering, hoeft de voorzieningenrechter geen beslissing meer te nemen op de vraag of een dwangsom op zijn plaats is.
Proceskosten
4.7.
Als hoofdregel in dit soort zaken geldt dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt van deze hoofdregel afgeweken. Voor een proceskostenveroordeling moet er overduidelijk sprake zijn van nodeloos procederen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit hier niet het geval is. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de proceskosten zal compenseren.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen (proces)kosten betaalt.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.T. van Belzen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van S.C. Dijksterhuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op
8 oktober 2024.