In deze civiele renvooiprocedure vordert eiser tot verificatie dat zijn vordering van €132.000,00 bruto wegens een garantieregeling voor vroegpensioen wordt erkend als een onvoorwaardelijke preferente vordering op zijn failliete werkgever, [bedrijf 1]. Deze onderneming was eerder [bedrijf 2], onderdeel van een Zuid-Afrikaans papierconcern, en werd in 2014 verkocht waarna de naam veranderde. Het faillissement werd uitgesproken in 2015, waarna de curator de arbeidsovereenkomsten opzegde.
Eiser stelt dat hij aanspraak heeft op een arbeidsvoorwaardelijke garantieregeling die door de rechtsvoorganger werd toegezegd en door de failliete werkgever is overgenomen. De curator betwist de vordering en stelt dat de aanspraak voorwaardelijk is en niet is gefinancierd, waardoor geen preferente boedelschuld zou bestaan. Tevens betwist de curator dat sprake is van een pensioenregeling in eigen beheer.
De rechtbank oordeelt dat de vordering in beginsel toekomt aan eiser omdat de toezegging is overgenomen door de failliete werkgever, maar dat deze toezegging voorwaardelijk is en afhankelijk van financiering. Omdat eiser onvoldoende feiten heeft gesteld om aan te tonen dat het pensioen in eigen beheer is uitgevoerd, beveelt de rechtbank de curator om nadere stukken, waaronder de meest recente jaarrekening en het pensioenreglement, in het geding te brengen. De zaak wordt aangehouden voor verdere aktewisseling.