Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2024:655

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 februari 2024
Publicatiedatum
8 februari 2024
Zaaknummer
05.800098.14
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:32 lid 3 onder c SvArt. 3:3 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorgWet forensische zorgJeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing resterende vordering tot terugplaatsing in kader PIJ-maatregel wegens ontbreken passende woonplek

De rechtbank Gelderland behandelde de vordering tot terugplaatsing van betrokkene in het kader van de PIJ-maatregel. Eerder was betrokkene voor vijf maanden teruggeplaatst in een penitentiaire inrichting. De rechtbank heeft de verdere beslissing aangehouden tot na een zitting in januari 2024, waarbij ook de mogelijkheid van verplichte zorg op grond van de Wet forensische zorg (Wfz) werd onderzocht.

Uit een memo van de officier van justitie Verplichte Zorg bleek dat betrokkene een psychische stoornis heeft die zorg vereist, maar opname op dit moment niet aangewezen is. De benodigde zorg moet ambulant plaatsvinden, maar dit is niet doelmatig zonder een stabiele woonplek met intensieve begeleiding. De reclassering heeft zich ingespannen om een passende woonplek te vinden, maar zonder succes.

Tijdens de zitting op 23 januari 2024 werd duidelijk dat een zorgmachtiging onder de huidige omstandigheden niet haalbaar is. De officier van justitie handhaafde de vordering tot terugplaatsing, omdat betrokkene anders zonder hulp op straat komt te staan na beëindiging van de PIJ-maatregel. Betrokkene zelf vroeg de rechtbank het resterende deel van de vordering af te wijzen, met het oog op zijn behoefte aan duidelijkheid en een geschikte woonplek.

De rechtbank oordeelde dat een langere terugplaatsing niet bijdraagt aan het vinden van een passende woonplek en niet motiveert tot naleving van de voorwaarden van de PIJ-maatregel. Daarom wees zij het resterende deel van de vordering tot terugplaatsing af. De rechtbank sprak de hoop uit dat alsnog op korte termijn een passende woonplek beschikbaar komt voor betrokkene, zodat hij de benodigde begeleiding kan ontvangen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het resterende deel van de vordering tot terugplaatsing af wegens het ontbreken van een passende woonplek en het belang van begeleiding buiten detentie.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Strafrecht
Locatie Zutphen
Parketnummer : 05/800098-14
beslissing op de bij de griffie van deze rechtbank ingekomen vordering van de officier van justitie van 14 september 2023
in de zaak tegen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven aan [adres] ,
op dit moment gedetineerd in PI [locatie] , [adres] .
Raadsvrouw: mr. B. Klunder, advocaat in Amsterdam.

De procedure

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar de beschikking van deze rechtbank van 24 oktober 2023. Bij deze beschikking heeft de rechtbank de vordering tot terugplaatsing van betrokkene in het kader van de PIJ-maatregel deels toegewezen, in die zin dat betrokkene voor de duur van vijf maanden werd teruggeplaatst in een PI. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing op de vordering aangehouden tot na een zitting in januari 2024. Zij heeft daarbij de officier van justitie verzocht de mogelijkheid te onderzoeken om een vordering op grond van de Wet forensische zorg (hierna: Wfz) in te dienen ten behoeve van betrokkene, zodat hij na de beëindiging van de PIJ-maatregel nog de nodige begeleiding en behandeling kan ontvangen.
Op 18 januari 2024 heeft de rechtbank van de officier van justitie Verplichte Zorg een memo ontvangen. Uit deze memo blijkt dat sprake is van een psychische stoornis waaruit ernstig nadeel voortvloeit, dat het nodig is zorg te verlenen ter afwending van dit ernstig nadeel en dat de zorgverlening niet op vrijwillige basis kan plaatsvinden. Uit de memo blijkt echter ook dat opname op dit moment niet aangewezen is en dat de zorg die betrokkene nodig heeft (met name) ambulant moet plaatsvinden. De inzet van ambulante verplichte zorg is niet doelmatig en kan niet veilig plaatsvinden als er geen sprake is van een passende woonvorm voor betrokkene met intensieve begeleiding. Verblijf bij een daklozenopvang is niet afdoende. Zonder stabiele huisvesting kan verplichte zorg het ernstig nadeel niet afwenden, waardoor een zorgmachtiging onder de huidige omstandigheden niet doelmatig wordt geacht. Gelet hierop wordt niet voldaan aan de criteria van artikel 3:3 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz). De verplichte zorg officier zal daarom geen verzoekschrift voor een zorgmachtiging indienen en de procedure voorbereiding verzoekschrift voor een zorgmachtiging beëindigen.
Tijdens de zitting van 23 januari 2024 zijn gehoord:
- betrokkene;
- zijn raadsvrouw;
- mevrouw [persoon] van Reclassering Nederland;
- de officier van justitie.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de vordering toegelicht en gehandhaafd. Hij heeft daarbij aangegeven dat uit het onderzoek van de geneesheer-directeur in het kader van de Wfz is gebleken dat een zorgmachtiging onder de huidige omstandigheden niet aan de orde is. De reclassering heeft zich uitgebreid ingespannen om een passende woonplek te vinden voor betrokkene, maar dit heeft tot op heden niet geleid tot een plaatsing. Omdat een opname op dit moment niet aangewezen is en verplichte zorg in een ambulant kader niet mogelijk is door het ontbreken van een passende woonplek, is de officier van justitie van mening dat niets anders rest dan betrokkene de resterende tijd in het kader van de PIJ-maatregel uit te laten zitten. Als blijkt dat er concreet zicht is op een woonplek voor betrokkene, kan verplichte zorg in het kader van de Wfz opnieuw overwogen worden.

Het standpunt van betrokkene

Betrokkene heeft het zwaar in detentie. Hij heeft behoefte aan duidelijkheid. Betrokkene zou het liefst zien dat er een geschikte woonplek in een beschermd wonen setting voor hem beschikbaar komt. Zolang dit niet het geval is, kan betrokkene ter overbrugging bij zijn zus verblijven. Wanneer wel een passende woonplek beschikbaar is, kan zo nodig alsnog een machtiging in het kader van de Wvggz worden ingezet. Betrokkene heeft de rechtbank gevraagd het deel van de vordering tot terugplaatsing waarover nog niet is beslist af te wijzen. Hij heeft daarbij benadrukt dat hij in de periode dat hij niet in detentie verbleef geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

Het standpunt van de reclassering

De reclassering heeft zich ingespannen om een passende woonplek voor betrokkene te realiseren, maar tot op heden zonder succes. Ook nu duidelijk is dat een zorgmachtiging niet de gehoopte uitkomst kan bieden, blijft de reclassering zich inspannen om een geschikte woonplek voor betrokkene te vinden. De reclassering is voornemens meer druk uit te oefenen bij het realiseren van een geschikte woonplek door het zorgkantoor in te schakelen. De situatie van betrokkene is complex omdat hij door de PIJ-maatregel onder de Jeugdwet valt. De reclassering heeft toegezegd contact op te nemen met de gemeente Leiden zodat mogelijk in samenwerking met de gemeente Rotterdam een woonplek met intensieve begeleiding voor betrokkene kan worden gerealiseerd.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beoordeling van het nog resterende deel van de vordering tot terugplaatsing stelt de rechtbank voorop dat een bevel tot terugplaatsing op grond van artikel 6:6:32 lid 3 onder Pro c Sv als doel heeft de veroordeelde te bewegen tot het naleven van de voorwaarden die zijn gesteld in het kader van de voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel.
De rechtbank stelt vast dat uit het onderzoek van de officier van justitie in het kader van de Wfz is gebleken dat een opname van betrokkene op dit moment niet aangewezen is. Bovendien blijkt uit het onderzoek dat verplichte zorg in een ambulant kader niet doelmatig is en niet veilig kan plaatsvinden zolang voor betrokkene geen stabiele woonplek met intensieve begeleiding beschikbaar is. Onder de huidige omstandigheden is een gedwongen GGZ-kader dan ook niet aan de orde als de detentie van betrokkene eindigt.
De rechtbank overweegt dat betrokkene gelet op de beslissing van 24 oktober 2023 inmiddels bijna vijf maanden in detentie verblijft als gevolg van een tweede terugplaatsing. Een toewijzing van het resterende deel van de vordering tot terugplaatsing voegt naar het oordeel van de rechtbank niets meer toe. Een langere terugplaatsing is immers niet van invloed op de beschikbaarheid van een passende woonplek voor betrokkene. Ook draagt een langere terugplaatsing niet bij aan het motiveren van betrokkene tot naleving van de voorwaarden die zijn gesteld in het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel. Toewijzing van het resterende deel van de vordering tot terugplaatsing heeft tot gevolg dat betrokkene zonder hulp en steun van de reclassering op straat komt te staan bij de beëindiging van de PIJ-maatregel op 15 juli 2024. De rechtbank vindt dit niet wenselijk.
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het resterende deel van de vordering tot terugplaatsing af.
De rechter-commissaris heeft op 15 september 2023 de vordering tot voorlopige
tenuitvoerlegging toegewezen. Betrokkene zal op basis van de beschikking van 24 oktober 2023 dus vanaf 15 september 2023 tot 12 februari 2024 in detentie verblijven. Bij de berekening van deze einddatum heeft de rechtbank zich gebaseerd op de gegevens die zich nu in het dossier bevinden en gaat zij uit van een maandtermijn die gelijk is aan 30 dagen.
De rechtbank spreekt de hoop uit dat op korte termijn alsnog een passende woonplek voor betrokkene beschikbaar komt, zodat hij bij zijn resocialisatie de begeleiding mag ontvangen die hij nodig heeft.

Beslissing

De rechtbank:
wijst de vordering tot terugplaatsing voor het overige af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Rietveld, voorzitter en kinderrechter,
mr. P.J.C. Cremers en mr. A. Bril, als kinderrechters, in tegenwoordigheid van
mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2024.
mrs. P.J.C. Cremers en A. Bril zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.