Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2024:6463

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 september 2024
Publicatiedatum
24 september 2024
Zaaknummer
C/05/414293 / HA ZA 23-39
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 19 Gdw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing surplus kwaliteitsrekening aan faillissementsboedel deurwaarderskantoor

In deze civiele procedure staat centraal wie recht heeft op het surplus op de kwaliteitsrekening van het gefailleerde deurwaarderskantoor. De curator vordert toewijzing van het gehele surplus aan de faillissementsboedel, terwijl de waarnemend deurwaarder en een tussenkomende partij aanspraak maken op (delen van) het surplus.

De rechtbank bevestigt dat de kwaliteitsrekening een gemeenschap vormt en dat het surplus aan de boedel toekomt. De vorderingen van de waarnemend deurwaarder en de tussenkomende partij tot uitbetaling van het surplus worden afgewezen. Tevens wordt geoordeeld dat de waarnemend deurwaarder onrechtmatig heeft gehandeld door betalingen te doen na het faillissement, waardoor hij persoonlijk aansprakelijk is voor het tekort.

Proceskosten worden deels gecompenseerd en deels aan de verliezende partij opgelegd. De waarnemend deurwaarder wordt veroordeeld het bedrag van €164.736,42 plus wettelijke rente aan de curator te betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Het surplus op de kwaliteitsrekening behoort toe aan de faillissementsboedel en de waarnemend deurwaarder wordt veroordeeld tot betaling van €164.736,42 plus wettelijke rente aan de curator.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/414293 / HA ZA 23-39
Vonnis van 11 september 2024
in de zaak van
mr. COENRAAD WILLEM HOUTMAN q.q.in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam gefailleerde],
kantoorhoudende te Arnhem,
eiser in de hoofdzaak,
gedaagde in conventie in tussenkomst,
eiser in reconventie in tussenkomst,
hierna te noemen: de curator,
advocaat mr. C.W. Houtman te Arnhem
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
gedaagde in conventie in tussenkomst,
eiser in reconventie in tussenkomst
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat mr. J.D. van Vlastuin te Veenendaal,
waarin is tussengekomen:
[tussenkomende],
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie in tussenkomst tegen de curator,
eiser in conventie in tussenkomst tegen [gedaagde] ,
gedaagde in reconventie in tussenkomst,
hierna te noemen: [tussenkomende] ,
advocaat mr. W. Kok te Ede.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 juli 2024
- de akte van de curator.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In voormeld tussenvonnis van 3 juli 2024 is de curator in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de reconventionele vordering in tussenkomst tussen de curator en [tussenkomende] (bestuurdersaansprakelijkheid). De curator heeft bij voormelde akte laten weten dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een regeling en de curator heeft de vordering ingetrokken. Verder heeft de curator verzocht om in de hoofdzaak vonnis te wijzen.
2.2.
Hierna zal dan ook worden beslist op het resterende geschil in de hoofdzaak, tevens het geschil in tussenkomst in conventie en in reconventie tussen de curator, [tussenkomende] (deurwaarder) en [gedaagde] (waarnemend deurwaarder). Dat geschil gaat over de vraag aan wie het surplus op de kwaliteitsrekening van het gefailleerde deurwaarderskantoor [naam gefailleerde] toekomt. In voormeld tussenvonnis is hierover overwogen dat [naam gefailleerde] de enig resterend deelgenoot is in de gemeenschap van de kwaliteitsrekening en dat het gehele surplus op de kwaliteitsrekening (de bewaarpositie) in de boedel valt. [1] [tussenkomende] en [gedaagde] zijn geen deelgenoot [2] en hebben voor (waarnemings)kosten ook geen rechtstreekse aanspraak gekregen op de boedel [3] zodat zij hun kosten en hun gestelde kosten tot behoud van de kwaliteitsrekening van de failliet niet mogen verrekenen met het surplus [4] .
2.3.
Daarom worden de vorderingen van de curator in de hoofdzaak toegewezen, inclusief de niet (voldoende) betwiste wettelijke rente, en de vorderingen van [tussenkomende] en [gedaagde] in tussenkomst in conventie en in reconventie tot uitbetaling van (een deel van) het surplus aan hen, afgewezen. Ook de vordering van [tussenkomende] om voor recht te verklaren dat hij niet gehouden kan worden de waarnemingskosten van [gedaagde] vanaf 1 december 2022 aan [gedaagde] te vergoeden en ook niet de kosten van de door [gedaagde] ingeschakelde raadsman, worden afgewezen. [5] Verder overweegt de rechtbank over de reconventionele vordering in tussenkomst van [gedaagde] het volgende. [gedaagde] heeft verzocht de vorderingen van [tussenkomende] af te wijzen en subsidiair, als het surplus aan [tussenkomende] toekomt, voor recht te verklaren dat de door [tussenkomende] gemaakte en nog te maken kosten in verband met de afwikkeling van zijn praktijk betaald moeten worden uit het surplus alsmede [gedaagde] te veroordelen uit het surplus slechts een bedrag van € 135.949,49 aan [tussenkomende] over te maken omdat [gedaagde] een bedrag van € 20.000,00 heeft gereserveerd voor zijn eigen kosten. Zoals hiervoor overwogen, komt het surplus niet aan [tussenkomende] toe. Gelet hierop is de voorwaarde voor de reconventionele vordering van [gedaagde] niet vervuld en komt de rechtbank niet aan beoordeling daarvan toe.
2.4.
Hieruit volgt dat [gedaagde] als waarnemend deurwaarder, en daarmee beschikker en beheerder van de kwaliteitsrekening, wordt veroordeeld om het in de boedel vallende surplus op de kwaliteitsrekening over te maken aan de curator. Dit surplus bestaat in ieder geval uit de volgende bedragen:
- resterende surplus [6]
155.949,49
- ten onrechte afgeschreven bedragen [7]
8.786,93
+
Totaal
164.736,42
2.5.
Voor zover het (huidige) saldo op kwaliteitsrekening hiertoe niet toereikend is als gevolg van de door [gedaagde] ten onrechte gedane betalingen, heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld en is hij gehouden het tekort als schadevergoeding aan de curator te betalen. Daarbij overweegt de rechtbank aanvullend op rov. 5.23. van voormeld tussenvonnis het volgende. [gedaagde] bekleedt als natuurlijk persoon het publiek ambt van (waarnemend) deurwaarder. Bij het vervullen van zijn taak is hij de enige die verantwoordelijk is voor zijn handelen. [gedaagde] moet bij het uitoefenen van zijn taak die zorgvuldigheid in acht nemen zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Met het doen van betalingen van de kwaliteitsrekening ná het faillissement van [naam gefailleerde] heeft [gedaagde] niet als zodanig gehandeld. Daarom is hij voor een eventueel tekort op de kwaliteitsrekening persoonlijk aansprakelijk.
Proceskosten
in de hoofdzaak
2.6.
De rechtbank ziet een aanleiding om de proceskosten in de hoofdzaak te compenseren zoals door [gedaagde] verzocht [8] , in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt. [gedaagde] heeft de (uit)betaling van het surplus op de kwaliteitsrekening opgeschort omdat zowel de curator als [tussenkomende] daarop aanspraak maakten en [gedaagde] heeft niet gehandeld uit eigen belang.
in tussenkomst in conventie
2.7.
In conventie in tussenkomst is [tussenkomende] in het ongelijk gesteld en hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten worden aan de zijde van de curator begroot op € 7.004,00 (2,0 punten × tarief VII à € 3.502,00 per punt) en aan de zijde van [gedaagde] op € 3.858,00 (2,0 punten × tarief V à € 1.929,00 per punt) aan salaris advocaat.
in tussenkomst in reconventie
2.8.
De curator heeft de vordering in reconventie in tussenkomst jegens [tussenkomende] bij akte ingetrokken. Omdat de curator en [tussenkomende] overeenstemming hebben bereikt over een regeling, begroot de rechtbank de kosten aan de zijde van de curator op nihil.
in het incident tot tussenkomst
2.9.
De kosten in het incident zijn bij vonnis in incident van 19 april 2023 aangehouden. Deze zaak draaide om de vraag aan wie het surplus op de kwaliteitsrekening toekomt. [tussenkomende] is in deze procedure tussengekomen omdat hij meende dat het surplus aan hem als deurwaarder toekomt. Omdat die vorderingen van [tussenkomende] als tussenkomende partij zijn afgewezen, wordt [tussenkomende] in de kosten van het door hem ingestelde incident veroordeeld. Omdat zowel de curator als [gedaagde] zich in het incident hebben gerefereerd aan het oordeel van de rechter, worden de proceskosten in het incident zowel aan de zijde van de curator als [gedaagde] begroot op nihil.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat het surplus op de kwaliteitsrekening van [naam gefailleerde] (de bewaarpositie) toekomt aan de faillissementsboedel van [naam gefailleerde] ,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om van de kwaliteitsrekening van [naam gefailleerde] aan de curator in het faillissement van [naam gefailleerde] te betalen een bedrag van € 164.736,42, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag, met ingang van 3 november 2022 en tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om, voor zover het saldo op de kwaliteitsrekening niet toereikend is om het onder 3.2. genoemde te betalen, het resterende bedrag aan de curator in het faillissement van [naam gefailleerde] te betalen,
3.4.
compenseert de proceskosten in de hoofdzaak, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.5.
veroordeelt [tussenkomende] in tussenkomst in conventie in de proceskosten;
  • aan de zijde van de curator begroot op € 7.004,00
  • aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 3.858,00,
3.6.
veroordeelt [tussenkomende] in tussenkomst in reconventie in de proceskosten, aan de zijde van de curator begroot op nihil,
3.7.
veroordeelt [tussenkomende] in het incident tot tussenkomst in de proceskosten, aan de zijde van de curator en [gedaagde] begroot op nihil,
3.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.T. Quaadvliet en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2024.
871

Voetnoten

1.Tussenvonnis 3 juli 2014, rov. 5.11. en 5.15.
2.Tussenvonnis 3 juli 2014, rov. 5.11.
3.Tussenvonnis 3 juli 2014, rov. 5.12. en rov. 5.18.
4.Tussenvonnis 3 juli 2014, rov. 5.14.
5.Tussenvonnis 3 juli 2014, rov. 5.20.
6.Tussenvonnis 3 juli 2014, rov. 5.5.
7.Tussenvonnis 3 juli 2014, rov. 5.23.
8.Conclusie van antwoord 39-40