In deze civiele procedure staat centraal wie recht heeft op het surplus op de kwaliteitsrekening van het gefailleerde deurwaarderskantoor. De curator vordert toewijzing van het gehele surplus aan de faillissementsboedel, terwijl de waarnemend deurwaarder en een tussenkomende partij aanspraak maken op (delen van) het surplus.
De rechtbank bevestigt dat de kwaliteitsrekening een gemeenschap vormt en dat het surplus aan de boedel toekomt. De vorderingen van de waarnemend deurwaarder en de tussenkomende partij tot uitbetaling van het surplus worden afgewezen. Tevens wordt geoordeeld dat de waarnemend deurwaarder onrechtmatig heeft gehandeld door betalingen te doen na het faillissement, waardoor hij persoonlijk aansprakelijk is voor het tekort.
Proceskosten worden deels gecompenseerd en deels aan de verliezende partij opgelegd. De waarnemend deurwaarder wordt veroordeeld het bedrag van €164.736,42 plus wettelijke rente aan de curator te betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.