Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2024:6163

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 augustus 2024
Publicatiedatum
9 september 2024
Zaaknummer
10033195
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzekeringsuitkering wegens zelf veroorzaakte autobrand en misleiding

In deze civiele zaak vordert eiser een verzekeringsuitkering na een autobrand. De rechtbank heeft in een tussenvonnis een voorshands bewijsoordeel gegeven dat eiser de brand zelf heeft veroorzaakt en hierover heeft gelogen. Eiser kreeg de gelegenheid tegenbewijs te leveren.

Eiser heeft zichzelf en meerdere getuigen gehoord, maar hun verklaringen ontzenuwen het bewijsoordeel niet. De deskundige rapporten van DEKRA tonen aan dat de auto vanwege een gebroken krukas niet meer kon rijden en dat de brand niet in de motorruimte is ontstaan. Bovendien is in het interieur benzine aangetroffen, terwijl de auto op diesel reed, hetgeen eiser niet plausibel heeft verklaard.

Eiser heeft geen contra-expertise laten uitvoeren ondanks daartoe in de gelegenheid gesteld te zijn. De rechtbank acht het bewijsoordeel dan ook niet weerlegd en concludeert dat het recht op uitkering is vervallen. De vordering wordt afgewezen. Bovemij krijgt een tegenvordering toegewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot verzekeringsuitkering wordt afgewezen wegens onvoldoende tegenbewijs van eiser dat hij de brand niet zelf heeft veroorzaakt.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 10033195 \ CV EXPL 22-2255
Vonnis van 16 augustus 2024
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. I.P. Sigmond,
tegen
N.V. SCHADEVERZEKERING-MAATSCHAPPIJ BOVEMIJ,
te Nijmegen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Bovemij,
gemachtigde: mr. I. van der Putt-van Vessem.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 november 2023
- het getuigenverhoor van 4 april 2024
- de conclusie na getuigenverhoor van [eiser]
- de antwoordconclusie van Bovemij.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

2.1.
In het tussenvonnis van 17 november 2023 is [eiser] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewijsoordeel dat [eiser] de autobrand zelf heeft veroorzaakt en daarover heeft gelogen;
2.2.
Ter levering van voornoemd tegenbewijs heeft [eiser] zichzelf als partijgetuige, [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] als getuigen gehoord. Bovemij heeft afgezien van contra-enquête. Partijen hebben vervolgens nog hun conclusies naar aanleiding van de enquête ingediend.
2.3.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] het opgedragen tegenbewijs niet heeft geleverd. Alle verklaringen en conclusies, gelezen in onderlinge samenhang en in vergelijking met de rapporten van DEKRA, ontzenuwen niet het voorhands bewijsoordeel dat [eiser] de autobrand zelf heeft veroorzaakt en daarover heeft gelogen. Uit de verklaringen volgt weliswaar, anders dan de sleutelgegevens doen vermoeden, dat [eiser] nog tot kort voor de dag van brand in de auto heeft gereden. Geen van de getuigen heeft echter verklaard [eiser] op de dag van de brand zelf in de auto te hebben zien rijden. Enkel [eiser] zelf verklaart dat hij daarin op 12 maart 2021 heeft gereden en dat de brand al rijdend is ontstaan in de motorruimte van de auto. De verklaring van [eiser] staat echter haaks op de constatering van DEKRA dat de auto vanwege de gebroken krukas al voor de brand niet meer kon rijden. Zijn verklaring over het verloop van de brand strookt ook niet met het door DEKRA vastgestelde brandpatroon waaruit volgt dat de brand niet in de motor is ontstaan. Daarbij komt dat in het interieur van de auto, die op diesel reed, benzine is aangetroffen waarvoor [eiser] geen plausibele verklaring heeft gegeven. De kantonrechter acht de verklaring van [eiser] dan ook niet geloofwaardig.
2.4.
[eiser] heeft in zijn conclusie na enquête nog aangevoerd dat hij de aannamen in het rapport van DEKRA niet heeft kunnen betwisten of bevestigen omdat Bovemij de auto al had laten afvoeren en hij geen eigen deskundige daarvoor heeft kunnen inschakelen. Onder punt 2.3. van de dagvaarding heeft [eiser] aangegeven dat DEKRA namens Bovemij op 28 april 2021 aan [eiser] heeft voorgesteld om het wrak van de auto te verkopen en [eiser] hier nog dezelfde dag mee akkoord is gegaan. Op dat moment had hij mogelijk nog geen wetenschap van de verdenking van Bovemij van brandstichting, nu het eerste rapport van DEKRA dateert van 30 april 2021. Wat daar ook van zij, Bovemij heeft gemotiveerd gesteld dat ook op basis van de (ruim 160) foto’s die zijn gemaakt van het wrak en van (het onderzoek van) de motor een contra-onderzoek kan worden uitgevoerd. [eiser] heeft dat op zichzelf ook niet betwist. Daarnaast is in het rapport van 17 juni 2021 aangegeven dat door DEKRA een monster van het brandresidu vanuit het interieur is veiliggesteld voor onderzoek, dit onderdeel tot tenminste drie maanden na sluitingsdatum van het rapport zal worden bewaard en daarna indien zij geen verzoek ontvangen tot het langer bewaren het monster zal worden vernietigd. Bij brief van 5 juli 2021 heeft Bovemij [eiser] het DEKRA rapport toegezonden en [eiser] nadrukkelijk in de gelegenheid gesteld contra-onderzoek te laten verrichten. Dit heeft [eiser] niet gedaan. Hij heeft enkel in twijfel getrokken of de juiste motor door DEKRA is onderzocht, maar dat is door Bovemij overtuigend nader onderbouwd (zie tussenvonnis van 17 november 2023). Ook in het kader van het te leveren tegenbewijs heeft [eiser] geen contra-onderzoek uitgevoerd. De kantonrechter ziet reeds daarom geen aanleiding om de bevindingen van DEKRA buiten beschouwing te laten.
2.5.
Gelet op het bovenstaande heeft [eiser] het voorhands bewijsoordeel dat [eiser] de autobrand zelf heeft veroorzaakt en daarover heeft gelogen niet ontzenuwd en zal daar daarom van uit worden gegaan. Aldus is sprake van verval van het recht op uitkering en zal de vordering in conventie worden afgewezen.
2.6.
Onder verwijzing naar hetgeen daarover in punt 4.16 van het tussenvonnis van
21 april 2023 is overwogen wordt de vordering in reconventie van totaal € 3.648,62 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 september 2022 toegewezen.
2.7.
[eiser] wordt zowel in conventie als in reconventie het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie wordt in reconventie de helft van het aantal punten aan salaris voor de gemachtigde toegekend.
De proceskosten van Bovemij in conventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.900,50
(3,50 punten x € 543,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.035,50
De proceskosten van Bovemij in reconventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
238,00
(2,00 punten x 0,5 x € 238,00)
2.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
3.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.035,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
3.5.
veroordeelt [eiser] tot betaling aan Bovemij binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis van een bedrag van € 3.648,62, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 september 2022 tot de dag van volledige betaling,
3.6.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 238,00,
3.7.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.P. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op
16 augustus 2024.
25115 \ 918