Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
- de conclusie na deskundigenbericht van 27 maart 2024 van CWZ c.s.,
2.De verdere beoordeling
6. Samenvatting
7.Beschouwing en conclusie
8.Beantwoording vraagstelling
1. Wilt u op basis van het medisch dossier, de anamnese, en uw gesprekken met partijen (voor zover verricht) een beknopte chronologische beschrijving geven van het beloop van de geneeskundige behandeling van [eiser] in de periode van 2014-2019?
2. a. Heeft de behandelend internist drs. [betrokkene 1] gedurende de behandeling van [eiser] van 30 januari 2014 tot 23 augustus 2019 naar uw oordeel gehandeld volgens de op dat moment voor haar geldende professionele standaard(en)?
3. Kunt u aangeven of, en zo ja op welk moment, drs. [betrokkene 1] de buikpijnklachten van [eiser] in verband had moeten brengen met het aangetroffen concrement pyelum zoals te zien op de CT-colon van 18 februari 2014?
4. Kunt u aangeven of [betrokkene 1] [eiser] had moeten doorverwijzen naar een uroloog. Indien doorverwijzing had moeten plaatsvinden, wilt u in uw beantwoording ook erop ingaan of doorverwijzing had moeten plaatsvinden naar aanleiding van de CT-colon en het verslag van de radioloog [betrokkene 2] (beiden van 18 februari 20 14), of in mei 2014 nadat de behandelingen aan de hernia’s epigastrica en de darmpoliepen hadden plaatsgevonden, of wellicht op een later concreet moment?
5. Kunt u aangeven of, en zo ja op welk moment, [eiser] naar aanleiding van de CT-colon en/of het verslag van de radioloog [betrokkene 2] (beiden van 18 februari 2014) had moeten worden geïnformeerd over a. het aangetroffen concrement pyelum en b. de mogelijke behandelwijze daarvan?
6. Kunt u aangeven of, en zo ja op welk moment, [eiser] had moeten worden geadviseerd de niersteen te laten verwijderen?
7. Indien uw antwoord op vraag 6 bevestigend luidt, zijn er redenen op grond waarvan een redelijk handelend patiënt zou hebben afgezien van die behandeling? Zo ja, welke redenen en waren die redenen aanwezig bij [eiser] ?
8. Kunt u aangeven of de buikpijnklachten waarvoor [eiser] in 2014 door de huisarts is doorverwezen naar het CWZ kunnen zijn veroorzaakt door het op de CT-colon van 18 februari 2014 aangetroffen concrement pyelum? Wilt u bij uw antwoord ook betrekken of de buikpijnklachten, geheel of gedeeltelijk, (mede) konden worden veroorzaakt door de overige medische problematiek bij [eiser] , waaronder de hernia’s epigastrica, darmpoliepen, levercyste, slokdarmontsteking, ACNES en/of rectumcarcinoom?
9. Indien uw antwoord op vraag 8 (gedeeltelijk) bevestigend luidt, kunt u dan vermelden (in percentages) in hoeverre het aangetroffen concrement pyelum en/of de overige medische problemen de buikklachten kunnen hebben veroorzaakt en vermelden met welke mate van waarschijnlijkheid u tot dat oordeel komt?
10. Kunt u voormelde vragen vanuit uw expertise beantwoorden of is daarvoor (ook) een deskundig oordeel van een arts met een ander specialisme, zoals bijvoorbeeld een uroloog, noodzakelijk?
11. Heeft u nog opmerkingen die van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van deze zaak door de rechter?
“(…)Anamnese: pijn links van de navel soms uitstralend naar de gehele bovenbuik, niet naar rug. (…)”. Aanvalsgewijze pijn wordt uitsluitend genoemd in de notitie van de AIOS heelkunde van 16 mei 2014 (zie rechtsoverweging 2.4 van het tussenvonnis van 11 oktober 2023), wat een telefoonnotitie is van kort na de buikoperatie van 12 mei 2014. Naar het oordeel van de rechtbank kon Hoekstra daaruit genoegzaam afleiden dat de pijn rond de navel de centrale pijnklacht van [eiser] was. Indien in de weergave van de medische stukken door Hoekstra een omissie zou zitten, dan had het op de weg van [eiser] gelegen om daarover een concrete opmerking te maken naar aanleiding van het conceptrapport en te verwijzen naar specifieke (medische) stukken. [eiser] heeft dat echter niet gedaan. Het enkele verwijzen naar hetgeen in de conclusie van antwoord is vermeld, is daartoe onvoldoende. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van het deskundigenbericht op dit punt.
overigens zou men uit de bovenstaande vraagstelling kunnen destilleren dat de internist de patiënt niet geïnformeerd heeft. De deskundige heeft in de stukken noch het bewijs gevonden van informatie, noch van non-informatie.” Daarnaast doelde [eiser] waarschijnlijk op een passage onder het tussenkopje ‘beschouwing en conclusie’, waarin staat – samengevat – dat niet met zekerheid uit het dossier is te achterhalen of aan [eiser] is medegedeeld dat hij een niersteen heeft, maar dat Hoekstra gezien de uitgebreidheid van het dossier de indruk heeft dat het waarschijnlijker is dat het wel is besproken dan dat het niet is gebeurd en dat de mededeling mogelijk is ondergesneeuwd bij alle andere bevindingen (zoals het coloncarcinoom). In het definitieve rapport ziet de rechtbank geen verwijderde passages.
opvallend tot slot is overigens dat de heer Hoekstra enkel bij de advocaat van eiser het procesdossier heeft opgevraagd, doch niet de daadwerkelijke CT scan (het beeldmateriaal) waar het in deze kwestie met name om draait. En waarop dus de niersteen en de omvang daarvan te zien is.” Dezelfde opmerking heeft [eiser] gemaakt in zijn reactie op het conceptdeskundigenbericht. Hierop is door Hoekstra niet expliciet gereageerd. De rechtbank kan zich echter voorstellen dat deze opmerking, die niet als een concrete vraag of verzoek is geformuleerd, aan de aandacht van Hoekstra is ontsnapt. Daarbij komt dat op pagina 6 van het deskundigenbericht, onder de bespreking van de relevante informatie uit 2019, is vermeld: “
30-8: bespreking met uroloog Radboud UMC; niersteen thans 15 mm, eerder, d.w.z. in 2014, 7 mm (…)”. Daaruit blijkt dat Hoekstra wel degelijk kennis heeft genomen van de omvang van de niersteen zoals die was geconstateerd in 2014 en in 2019. [eiser] heeft niet toegelicht, laat staan onderbouwd, waarom het opvragen van het beeldmateriaal van de CT-scan dan alsnog cruciaal is en welke gevolgen die omissie volgens hem heeft voor het deskundigenbericht. Bovendien had het op de weg gelegen van [eiser] om – indien hij cruciaal achtte dat Hoekstra het originele beeldmateriaal zou bekijken – dat te vermelden in zijn akte van 24 mei 2023, waarin hij zich immers mocht uitlaten over het voorgenomen deskundigenbericht. Dit heeft hij niet gedaan. De rechtbank passeert gezien het voorgaande de stelling van [eiser] op dit punt.
“De uroloog verwacht niet dat de klachten van de buik daardoor verklaard worden (…)”.Er zijn dus ook geen aanwijzingen dat [betrokkene 1] in de periode na mei 2014 tot 23 augustus 2019 de niersteen in verband had hoeven brengen met de buikpijnklachten van [eiser] of hem had moeten doorverwijzen naar een uroloog.