Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
de officier van justitie
[verdachte] ,
De procedure
29 februari 2024, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, heeft verdachte tegen deze dagvaarding bezwaar gemaakt.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Gelderland
In deze zaak staat het bezwaarschrift van verdachte tegen de dagvaarding centraal, waarin wordt betoogd dat de tenlastelegging onvolledig is omdat het constitutieve vereiste van daadwerkelijke zelfdoding niet is opgenomen. Het onderzoek betreft de Coöperatie Laatste Wil, die levensbeëindigende middelen verstrekt aan haar leden, en waarbij verdachte wordt verdacht van deelname aan een organisatie met het oogmerk het plegen van misdrijven zoals bedoeld in artikel 294 lid 2 Sr Pro.
De verdediging stelt dat het ontbreken van het vereiste dat zelfdoding daadwerkelijk moet volgen, leidt tot een ongeldige tenlastelegging en daarmee tot buitenvervolgingstelling. De officier van justitie betoogt dat niet alle bestanddelen van het delict expliciet in de tenlastelegging hoeven te worden opgenomen en dat het oogmerk van de organisatie uit de bewijsmiddelen moet blijken.
De raadkamer oordeelt dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend en dat het onderzoek in raadkamer summier van aard is. De raadkamer volgt de rechtspraak dat bij een tenlastelegging op grond van artikel 140 Sr Pro niet alle delictsbestanddelen van de beoogde misdrijven hoeven te worden vermeld. Het verwijzen naar artikel 294 lid 2 Sr Pro is voldoende en het constitutieve vereiste is impliciet onderdeel van het verwijt. Het bezwaarschrift wordt daarom ongegrond verklaard.
De raadkamer laat overige juridische vraagpunten en de vraag over het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor de zittingsrechter. De beslissing is genomen door drie rechters en de griffier op 4 april 2024.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de dagvaarding wordt ongegrond verklaard en de tenlastelegging is niet onvolledig.