In deze civiele procedure vordert Cannenburgh dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de kantonrechter, omdat de vorderingen volgens haar onder de competentiegrens van € 25.000 blijven. Cannenburgh stelt dat de totale waarde van de geldvorderingen slechts € 464,03 bedraagt en dat ook de vorderingen van onbepaalde waarde geen hogere waarde vertegenwoordigen.
Eisers in de hoofdzaak voeren verweer en betwisten de bevoegdheid van de kantonrechter, stellende dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat de waarde van de vorderingen onder de grens ligt. De rechtbank oordeelt dat hoewel de waarde van de vorderingen van onbepaalde waarde niet exact kan worden vastgesteld, er ook geen duidelijke aanwijzingen zijn dat deze onder de € 25.000 blijven.
De rechtbank wijst het verzoek tot verwijzing naar de kantonrechter af en veroordeelt Cannenburgh in de proceskosten van het incident. Tevens bepaalt de rechtbank dat de zaak op 17 juli 2024 weer op de rol komt voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak.