ECLI:NL:RBGEL:2024:2111

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 april 2024
Publicatiedatum
11 april 2024
Zaaknummer
AWB – 22 _ 5174
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor de bouw van een schuur in strijd met bestemmingsplan

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland op 12 april 2024 uitspraak gedaan in een geschil over de weigering van een omgevingsvergunning voor de bouw van een schuur. Eiser, eigenaar van een perceel in het buitengebied van Lingewaard, had op 25 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Deze vergunning werd aanvankelijk verleend op 9 maart 2022, maar na bezwaar van een derde-partij heeft het college van burgemeester en wethouders op 14 september 2022 besloten de vergunning te weigeren. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft op 9 februari 2024 de zaak behandeld. Eiser was aanwezig met zijn gemachtigde, terwijl het college en de derde-partij ook vertegenwoordigd waren. De rechtbank oordeelde dat de aanvraag in strijd was met het bestemmingsplan, dat deels de bestemming 'wonen' en deels 'agrarisch met waarden – dijkzone' had. De rechtbank benadrukte dat het college bevoegd was om een omgevingsvergunning te verlenen, maar dat het college in dit geval had besloten om geen gebruik te maken van deze bevoegdheid, mede op basis van een stedenbouwkundig advies.

De rechtbank concludeerde dat het college zich in redelijkheid op het standpunt had kunnen stellen dat de schuur niet passend was in de omgeving, gezien de omvang en de stedenbouwkundige context. De beroepsgrond van eiser werd verworpen, en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Eiser kreeg geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is openbaar gedaan en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 22/5174

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [naam gemachtigde]),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard, college

(gemachtigde: [naam gemachtigde]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij]uit [vestigingsplaats] (hierna: derde-partij).

Inleiding

Bij besluit van 9 maart 2022 heeft het college aan eiser een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een schuur op de locatie [locatie].
Met het besluit van 14 september 2022 heeft het college naar aanleiding van het bezwaar van de derde-partij de omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Eiser heeft tegen de weigering beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook is verschenen mevrouw [naam] namens de derde-partij.

De beoordeling door de rechtbank

Achtergrond van het geschil
1. Eiser is eigenaar van de woning op het perceel [locatie]. Voor dit perceel geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Lingewaard’. Het perceel heeft deels de bestemming ‘wonen’ en deels de bestemming ‘agrarisch met waarden – dijkzone’ met de functie-aanduiding ‘Glastuinbouw’.
1.1.
Op 25 januari 2022 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een schuur op de locatie [locatie]. Op het gedeelte van het terrein waar de nieuwe schuur zou moeten komen is al een loods aanwezig, die moet worden gesloopt. De nieuw te bouwen schuur is groter en komt dichter bij de woning te staan dan de al bestaande loods. De door eiser gevraagde vergunning is verleend op 9 maart 2022.
1.2.
De derde-partij is eigenaresse van het naastgelegen perceel en heeft bezwaar gemaakt tegen de verlening van de vergunning aan eiser. Naar aanleiding van het bezwaar heeft het college geconstateerd dat de aanvraag in strijd is met het geldende bestemmingsplan en de aanvraag alsnog mede opgevat als een verzoek om af te wijken van het bestemmingsplan. Na heroverweging van de aanvraag heeft het college besloten geen medewerking te verlenen aan het verzoek om af te wijken van het bestemmingplan en de gevraagde vergunning alsnog geweigerd.
Het toetsingskader van de rechtbank
2. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning voor die datum is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. [1] In deze uitspraak wordt verwezen naar de wetten en regels van voor 1 januari 2024.
2.1.
Niet ter discussie staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat eiser de nieuw te gebruiken schuur bedrijfsmatig wil gebruiken en dit gebruik niet strookt met de geldende bestemmingen. Het college is bevoegd om bij strijd met het bestemmingsplan toch een omgevingsvergunning te verlenen, in dit geval met toepassing van artikel 2.12, aanhef en eerste lid onder 3, van de Wabo. Het college heeft echter besloten om geen gebruik te maken van deze bevoegdheid. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. Dat betekent dat de rechtbank in deze zaak geen eigen oordeel geeft over de vraag of de schuur er zou moeten komen. De rechtbank beoordeelt in deze zaak alleen of het college zijn besluit voldoende heeft gemotiveerd en de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Hierbij is van belang dat het college geen gebruik wil maken van zijn bevoegdheid vanwege het stedenbouwkundig advies. Een stedenbouwkundige beoordeling is op zich voldoende om de weigering te onderbouwen, indien dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. [2]
Mocht het college de vergunning weigeren op grond van het stedenbouwkundig advies?
3. Eiser heeft naar voren gebracht dat in het stedenbouwkundig advies alleen staat waarom de aanvraag niet acceptabel is binnen of bij de woonbestemming, terwijl onderzocht had moeten worden of kan worden afgeweken van de agrarische bestemming. Om die reden had het college de afwijzing van de aanvraag niet op het advies mogen baseren.
3.1.
De rechtbank deelt dit standpunt niet. In de conclusie van het stedenbouwkundig advies wordt in algemene zin overwogen dat het bouwplan binnen de stedenbouwkundige en landschappelijke structuur niet acceptabel is. Het is volgens de stedenbouwkundige te groot en sluit niet aan bij een compacte erfopzet waar woning en bijgebouw in samenhang zijn. Hieruit volgt dat voor het stedenbouwkundig advies de omvang van de te bouwen schuur in relatie tot de woning redengevend is geweest. Dit betekent niet dat alleen is gekeken naar de woonbestemming, maar in brede zin of de schuur passend is in de omgeving. Het is de rechtbank niet gebleken dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen of andere gebreken vertoont. Het college mocht daarom van dit advies uitgaan.
3.2.
Dit leidt tot de conclusie dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de schuur niet passend vanwege de omvang niet passend is in de omgeving. Om deze reden heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning kunnen weigeren.
3.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de vergunning mocht weigeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2491, r.o. 5.1.