ECLI:NL:RBGEL:2024:1990

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 april 2024
Publicatiedatum
9 april 2024
Zaaknummer
433078
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling driejarige wegens onveilige thuissituatie door aanwezigheid verkeerde personen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de ondertoezichtstelling van een driejarige vanwege ernstige bedreiging van diens ontwikkeling door blootstelling aan fysieke, seksuele en verbale geweldssituaties in een onveilige thuissituatie. De moeder oefent alleen het gezag uit en woont met het kind samen.

De moeder is wel bereid maar onvoldoende in staat om zonder toezicht de veiligheid en opvoeding van het kind te waarborgen, mede door overbelasting en complexe problematiek. Er zijn meerdere meldingen geweest bij Veilig Thuis over huiselijk geweld en ongewenste personen in de woning. De moeder verscheen niet in de procedure.

De kinderrechter concludeert dat de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling volgens artikel 1:255 BW Pro zijn vervuld. Het kind wordt onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De GI krijgt regie over de noodzakelijke hulpverlening om de situatie structureel te verbeteren. De moeder wordt aangemoedigd samen te werken aan een stabiele toekomst voor het kind.

Uitkomst: Het kind wordt onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar vanwege een onveilige thuissituatie veroorzaakt door de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummer: C/05/433078 / ZJ RK 24-156
Datum uitspraak: 26 maart 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zwolle,
hierna te noemen de Raad,
over
[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Gelderland, regio Noord,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Apeldoorn.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 maart 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 maart 2024. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.

2.De feiten

De moeder oefent alleen het gezag over [minderjarige] uit.
[minderjarige] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] , omdat hij aanwezig is geweest/getuige is geweest van situaties waarin sprake is geweest van fysieke, seksueel en/of verbaal geweld. Dit heeft geleid tot onveilige situaties. Het is nog niet duidelijk wat de impact hiervan op [minderjarige] is geweest, maar voorstelbaar is dat zijn gevoel van basisveiligheid hierdoor is beschadigd. Dat kan effect hebben op zijn gedrag, algehele ontwikkeling en gevoel van welbevinden.
De moeder van [minderjarige] is op dit moment bereid, maar onvoldoende in staat onder eigen verantwoordelijkheid of met ondersteuning van vrijwillige hulpverlening de bedreiging weg te nemen, doordat de problematiek te complex en te ernstig is en zij overbelast is. Ze heeft niet meer de energie om consequent door te pakken in de hulpverlening en de opvoeding van [minderjarige] .
De verwachting is dat de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn weer zelf kan dragen.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
Hoewel daartoe correct opgeroepen is de moeder niet verschenen in de procedure.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] zijn:
- [minderjarige] groeit op in een onveilige omgeving met (huiselijk) geweldsincidenten.
- De moeder ervaart stress, houdt geen goed dag-nachtritme aan en haalt verkeerde mensen in huis.
- Er is onvoldoende zicht op [minderjarige] , en hij gaat onregelmatig naar de opvangroep.
5.3.
De kinderrechter zal daarom [minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.
5.4.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er grote zorgen zijn over de thuissituatie van [minderjarige] . De moeder kan [minderjarige] momenteel onvoldoende een veilige en stabiele opvoedsituatie bieden. Vanaf zijn geboorte en vooral in 2023 zijn er meerdere meldingen bij Veilig Thuis gedaan over het opvoedklimaat, huiselijk geweld en ongure types die bij de moeder over de vloer komen. Er is een veiligheidsplan door Veilig Thuis opgesteld, maar er is regie vanuit de GI nodig om de noodzakelijke hulpverlening in te zetten voor [minderjarige] en de moeder om zo de situatie voor hen structureel te verbeteren. De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling benoemd dat de moeder in de basis voldoende vaardigheden heeft om [minderjarige] liefdevol op te voeden. Het is vervolgens aan de moeder om samen te werken met de jeugdbeschermer en te leren werken aan zichzelf en aan een stabiele toekomst voor [minderjarige] en haar.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.1.1. stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Gelderland met ingang van 26 maart 2024 tot 26 maart 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024 door mr. A.E.M. Overkamp, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren als griffier, en op schrift gesteld op 9 april 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.