In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen VBH Totaalvloeren B.V. als aannemer en een opdrachtgever over betaling en uitvoering van aannemingswerkzaamheden voor een zwembad.
Partijen sloten in 2021 een overeenkomst waarbij VBH voorbereidende werkzaamheden verrichtte. VBH factureerde een bedrag van €7.684,26, waarvan de opdrachtgever een voorschot van €1.788,87 betaalde maar het restant niet. VBH vorderde betaling van het openstaande bedrag plus wettelijke rente en incassokosten. De opdrachtgever stelde dat VBH tekortgeschoten was in de nakoming en vorderde schadevergoeding van €4.175,00.
De rechtbank oordeelde dat VBH de werkzaamheden conform de overeenkomst had uitgevoerd en dat het meerwerk waarvoor extra kosten werden gefactureerd door de opdrachtgever was goedgekeurd. De opdrachtgever moest daarom het bedrag van €5.344,12 inclusief btw betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 december 2021. De schadevordering van de opdrachtgever werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van een tekortkoming door VBH.
De rechtbank wees de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af vanwege onvoldoende bewijs van aanmaning. De opdrachtgever werd veroordeeld in de proceskosten van beide procedures. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.