Eiser, geboren in 1978, vroeg opnieuw een Wajong-uitkering aan nadat zijn eerdere uitkering in 2002 was ingetrokken wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Het UWV wees de aanvraag af omdat eiser geen nieuwe medische informatie had verstrekt en de wettelijke vijfjaarstermijn voor herleving van de uitkering was verstreken. Volgens het overgangsrecht in artikel 8:10d Wajong is de uitbreiding van de herlevingstermijn beperkt tot jonggehandicapten wier uitkering nog binnen vijf jaar kon herleven.
Eiser stelde dat deze beperking in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod uit het EU-handvest en internationale verdragen, en dat het evenredigheidsbeginsel werd geschonden. De rechtbank oordeelde dat het onderscheid objectief gerechtvaardigd is, mede vanwege de ruime beoordelingsmarge van de wetgever bij begunstigende overgangsrechtelijke regelingen.
De rechtbank benadrukte dat het gelijkheidsbeginsel niet vereist dat begunstigende regels onbeperkt terugwerkende kracht hebben. De beperking tot een deel van de oude gevallen is niet onredelijk en niet strijdig met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit van het UWV blijft gehandhaafd.