Uitspraak
1.Het verdere procesverloop
2.De verdere beoordeling
3.De beslissing
;
Rechtbank Gelderland
De rechtbank Gelderland behandelde een zaak tussen ING Bank N.V. en een consument over een creditcardovereenkomst. De kantonrechter bevestigde dat deze overeenkomst een kredietovereenkomst is waarop titel 7.2A BW van toepassing is. ING voerde aan dat de overeenkomst onder een uitzondering viel, maar de rechtbank verwierp dit standpunt omdat de rente over creditcardbestedingen contractueel was geregeld en niet onbetekenend was.
ING werd in de gelegenheid gesteld om nadere informatie te verstrekken over de naleving van informatieverplichtingen en de kredietwaardigheidstoets, maar faalde hierin. Hierdoor concludeerde de rechtbank dat ING niet voldeed aan de wettelijke eisen, wat leidt tot ambtshalve vernietiging van de creditcardovereenkomst op grond van art. 3:40 lid 2 BW Pro.
Door deze vernietiging vervalt de grondslag voor de vordering van ING, ook voor de betaalrekening. De consument wordt veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van de onbetaald gebleven creditcardbestedingen minus reeds betaalde rente en kosten. De rechtbank veroordeelde de consument tot betaling van € 265,11 vermeerderd met wettelijke rente en in proceskosten, en wees het meer gevorderde af.
Uitkomst: De creditcardovereenkomst wordt ambtshalve vernietigd en de consument veroordeeld tot betaling van € 265,11 vermeerderd met wettelijke rente.