Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2023
[Eiser A] en [eiser B] , uit [plaats C] , eisers
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, het college
Procesverloop
Inleiding1. [D] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het afwijken van het bestemmingsplan “Arnhem Zuid-Oost” om de bouw van vijf grondgebonden woningen op het perceel aan [het adres L] in [plaats C] mogelijk te maken.De aanvraag gaat alleen over de activiteit “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan”.De omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” wordt op een later moment aangevraagd.
Beoordeling door de rechtbank
In hoofdstuk 3 van de ruimtelijke onderbouwing van januari 2021 is een vergelijking gemaakt tussen de voorheen bestaande en de aangevraagde situatie mede in relatie tot de planologische mogelijkheden op de projectlocatie.
De rechtbank is van oordeel dat het college bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening de bestaande planologische mogelijkheden op de projectlocatie heeft mogen betrekken. Hoewel eisers kan worden toegegeven dat het transformeren van (een deel van) de thans gerealiseerde woonboerderijen binnen het bouwvlak in een sportcentrum niet direct in de rede ligt, is dit planologisch gezien nog steeds toegestaan en kan dit niet worden uitgesloten. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat in de ruimtelijke onderbouwing ook verder nog is beoordeeld of het bouwplan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Zo is in paragraaf 5.5.1 gesteld dat de functie “wonen” niet milieubelastend is voor de omgeving en dat er geen sprake is van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
In hetgeen eisers naar voren hebben gebracht ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat op dit punt sprake is van een onzorgvuldige beoordeling van het bouwplan. De beroepsgrond slaagt niet.
Het college heeft hierover gesteld dat de positionering van de bouwvlakken en de in de vergunning opgenomen voorwaarden, zoals een maximaal te bebouwen oppervlakte en een maximum aan het aantal aan te brengen vierkante meters aan verharding, het groenstedelijk karakter waarborgen.
De rechtbank stelt vast dat de ruimtelijke onderbouwing deel uitmaakt van het bestreden besluit. In paragraaf 3.2 staat het volgende: “Nadat de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan verleend is, zal de aanvraag met de activiteit “bouwen” (aanvraag bouwvergunning) ten behoeve van de bouw van de woningen ingediend worden. De aanvraag dient voor de ruimtelijke aspecten minimaal te voldoen aan de volgende regels: (…)
- maximale bebouwingspercentage voor alle 5 woningen binnen het bouwvlak is 70%;
- de maximale verharding van het perceel na de bouw, mag maximaal 30% zijn;
- erfafscheidingen door middel van beukenhagen.
Gelet hierop en in aanmerking genomen wat voor het overige in de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven omtrent de inpassing van de woningen heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het groenstedelijk karakter voldoende is geborgd. De beroepsgrond slaagt niet.
M.E.R.-beoordeling
“Activiteit: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.”
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [10] hangt het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Uit deze rechtspraak volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in onderdeel D kolom 1 categorie 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
- de aard en de omvang van de voorziene wijziging;
- de wijziging van opzet en vormgeving (eventuele uitbreiding bebouwde oppervlakte);
- mogelijke gevolgen voor het milieu;
- de verandering van woon- en leefklimaat (bijvoorbeeld verkeersaantrekkende werking).
Verder is volgens jurisprudentie ook van belang of het project is gelegen in bestaand stedelijk gebied. In dat geval is er minder snel sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r..
Wat geluid/overlast betreft gaat het om de toevoeging van een geluidgevoelige functie. Oftewel een woning bij andere woningen. Hoewel het toevoegen van deze woningen ook gevolgen zal hebben voor geluid, kunnen deze gevolgen niet als onevenredig worden beschouwd. De toegevoegde woningen aan de achterzijde (maximaal vier) zijn planologisch vergelijkbaar met de andere twee-onder-een-kap-woningen aan de achterzijde. Bovendien zullen de geluiden van deze woningen anders dan de maximaal mogelijke planologische invulling van een parkeerplaats van een sportschool veel minder afwijken van hun directe omgeving en derhalve ook een kleinere impact hebben.