Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
- de kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw,
- de kinderen verblijven om de week een weekend bij de man van vrijdagavond voor het eten tot zondagavond na het eten,
- de man betaalt, met ingang van de datum van de overdracht van de gezamenlijke woning aan de man, € 130 per kind per maand aan de vrouw, per vooruitbetaling per eerste van iedere maand en de eerste keer naar rato.
- de man conform het ouderschapsplan vanaf 1 juli 2020 tot 1 november 2020 € 130 per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van de kinderen, met aftrek van wat in die periode reeds ten titel van kinderalimentatie door hem is betaald, dan wel op hem is verhaald,
- de man met ingang van 1 november 2020 € 214 per kind per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van de kinderen, met aftrek van wat in die periode reeds ten titel van kinderalimentatie door de man is betaald of op hem is verhaald.
3.Het verzoek en het verweer
- primair te bepalen dat de man met ingang van datum wijziging van de omstandigheden d.d. juli 2021, dan wel de datum waarom de man op de wijziging nader is aangesproken, bij vooruitbetaling een bijdrage aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen van € 664 per maand, met jaarlijkse indexering, althans een bedrag en ingangsdatum vast te stellen als de rechtbank juist acht,
- subsidiair voor zover het gestelde niet leidt tot een aanpassing van de kinderalimentatie te bepalen dat de man over het vastgestelde bedrag van € 177 per kind nog de wettelijke indexatie van 3% (jaar 2021) dient te voldoen gedurende de periode januari tot november 2021 en vanaf januari 2022 over het vastgestelde bedrag van € 214 per kind de wettelijke indexering van 1,9% en per januari 2023 de indexering van 3,4%,
- kosten rechtens.