Verzoekster diende een tweede wrakingsverzoek in tegen de rechters van de meervoudige belastingkamer van de rechtbank Gelderland, die twee procedures tegen de Belastingdienst behandelen. Het verzoek betrof het niet uitstellen van een mondelinge behandeling op 30 augustus 2023, terwijl verzoekster niet in staat was de zitting bij te wonen.
De rechtbank stelde vast dat de omstandigheden die aanleiding gaven tot het wrakingsverzoek al op of kort na 14 juni 2023 bekend waren, maar het verzoek pas op 26 augustus 2023 werd ingediend. Dit was te laat, aangezien een wrakingsverzoek tijdig moet worden ingediend zodra de feiten bekend zijn. Verzoekster voerde aan dat zij tijd nodig had om een advocaat te vinden en haar administratie compleet te maken, maar dit rechtvaardigde het tijdsverloop niet.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat verzoekster het wrakingsinstrument misbruikte door het verzoek in te dienen om uitstel van de zitting te verkrijgen, niet omdat er sprake was van daadwerkelijke partijdigheid van de rechters. Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken in deze procedures niet in behandeling worden genomen om de voortgang van de zaken te waarborgen.