ECLI:NL:RBGEL:2023:3558
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Naheffing motorrijtuigenbelasting en boete bevestigd ondanks betwisting houder auto
De inspecteur legde aan eiser een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting op over de periode van 10 september 2019 tot en met 18 juli 2021, met een bijbehorende boete. Eiser voerde aan dat hij niet als houder van de auto kon worden aangemerkt omdat zijn vader, de eigenaar, tijdens de controle in de auto zat. De rechtbank stelde vast dat eiser feitelijk als bestuurder werd aangetroffen en dat hij de bewijslast droeg om aan te tonen dat hij niet de houder was.
De verklaringen van eiser en zijn vader over de aanwezigheid van de vader in de auto verschilden, terwijl de politieambtenaar die de controle verrichtte ondubbelzinnig verklaarde dat de vader niet in de auto zat. De rechtbank achtte de verklaring van de verbalisant geloofwaardig en concludeerde dat eiser terecht als houder werd aangemerkt. Ook het betoog dat eiser vanwege een rijontzegging niet als houder kon worden aangemerkt, faalde wegens onvoldoende bewijs.
Verder werd het beroep op het evenredigheidsbeginsel verworpen omdat uit foto’s en verklaringen bleek dat eiser de auto regelmatig gebruikte. De naheffingsaanslag en de gematigde boete van € 376 bleven in stand. Het beroep werd ongegrond verklaard en de rechtbank wees geen proceskostenveroordeling toe.
Uitkomst: De naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en de gematigde boete van € 376 worden bevestigd; het beroep wordt ongegrond verklaard.