Uitspraak
,
Rechtbank Gelderland
In deze zaak verzocht de werkgever de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer op grond van een verstoorde arbeidsverhouding zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW Pro. De werkgever stelde dat herplaatsing binnen een redelijke termijn niet mogelijk was. De werknemer erkende de verstoorde arbeidsverhouding en zag eveneens geen mogelijkheden tot herplaatsing.
De kantonrechter oordeelde dat er een redelijke grond bestond voor ontbinding en dat herplaatsing niet mogelijk was. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden met ingang van 1 juni 2023, de datum waarop deze bij reguliere opzegging zou zijn geëindigd, rekening houdend met de duur van de procedure.
Partijen kwamen overeen dat de werkgever uiterlijk 1 juli 2023 een bruto beëindigingsvergoeding van €16.636,72 aan de werknemer zal betalen. De kantonrechter bepaalde dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juni 2023 en de werkgever betaalt een beëindigingsvergoeding van €16.636,72.