De zaak betreft een beroep tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen om de tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling kinderopvangtoeslag (TTKO) te baseren op het aantal opvanguren dat op 6 april 2020 bekend was, wat leidde tot een lagere vergoeding van de eigen bijdrage dan eiseres meende te recht te hebben.
Eiseres betoogde dat zij vanwege haar zorgfunctie en onregelmatige diensten bewust lagere opvanguren had doorgegeven en dat de regeling bedoeld was om alle werkende ouders tegemoet te komen, ook als de uren niet tijdig waren aangepast. De rechtbank oordeelde dat de TTKO een noodmaatregel is met een vaste peildatum, maar dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is omdat de overheid in brieven aan de Tweede Kamer had toegezegd dat ouders de eigen bijdrage over de gehele sluitingsperiode zouden worden gecompenseerd.
De rechtbank stelde vast dat eiseres gerechtvaardigde verwachtingen mocht hebben dat de volledige eigen bijdrage zou worden vergoed en dat er geen zwaarder wegende belangen waren die dit vertrouwen konden doorbreken. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen waarin de volledige eigen bijdrage wordt vergoed. Tevens werd het griffierecht aan eiseres vergoed.