Verzoeker, gedetineerd in een penitentiaire inrichting, diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter-commissaris die hem had verhoord. Hij stelde dat de rechter-commissaris haar naam niet wilde noemen, schriftelijke opmerkingen niet aannam, vragen van zijn raadsman voorafgaand aan het verhoor weigerde te beantwoorden en betrokken was bij eerdere beslissingen tegen hem. Deze omstandigheden zouden een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid creëren.
De wrakingskamer beoordeelde dat een rechter slechts gewraakt kan worden bij bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing geven voor partijdigheid. De aanvullende schriftelijke gronden die verzoeker later indiende, werden buiten beschouwing gelaten omdat deze hem reeds bekend waren en het indienen ervan tegen de procesorde inging.
Uit het proces-verbaal bleek dat verzoeker de naam van de rechter-commissaris kende en dat het niet noemen van haar naam geen aanwijzing voor vooringenomenheid vormde. Ook de beslissingen van processuele aard tijdens het verhoor vielen binnen haar taak en vormden geen grond voor wraking. De eerdere betrokkenheid bij een Europees arrestatiebevel leidde eveneens niet tot een schijn van partijdigheid.
De wrakingskamer concludeerde dat geen feiten of omstandigheden aanwezig waren die de onpartijdigheid van de rechter-commissaris in twijfel trokken en wees het wrakingsverzoek af. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.