ECLI:NL:RBGEL:2022:5231

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
31 augustus 2022
Publicatiedatum
7 september 2022
Zaaknummer
407369
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 149 FwArt. 332 FwArt. 145 FwArt. 335 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbetering proces-verbaal verificatievergadering en uitleg stemvereisten schuldsaneringsakkoord

In deze zaak verzocht de schuldenaar op grond van artikel 149 Faillissementswet Pro om verbetering van het proces-verbaal van de verificatievergadering over het aangeboden akkoord in de schuldsaneringsregeling. De rechter-commissaris had vastgesteld dat het akkoord niet was aangenomen, omdat niet voldaan zou zijn aan de vereiste meerderheid van de schuldeisers die samen ten minste de helft van de totale concurrente schuldenlast vertegenwoordigen.

De schuldenaar betoogde dat de vereiste meerderheid moet worden berekend ten opzichte van de ter vergadering verschenen concurrente schuldeisers, niet ten opzichte van de totale schuldenlast. De rechtbank oordeelde dat de rechter-commissaris het vereiste van artikel 332 lid 3 sub b Faillissementswet Pro verkeerd had uitgelegd en dat de wetgever niet heeft beoogd de regeling van artikel 145 Faillissementswet Pro (faillissement) op artikel 332 toe Pro te passen.

De rechtbank stelde vast dat alle ter vergadering verschenen concurrente schuldeisers met het akkoord instemden en dat het akkoord daarom als aangenomen moet worden beschouwd. Tevens werd bepaald dat de homologatiezitting uiterlijk acht dagen na deze beschikking zal plaatsvinden, zodat de homologatie na acht dagen gezag van gewijsde kan verkrijgen.

Deze uitspraak verduidelijkt de uitleg van stemvereisten bij schuldsaneringsakkoorden en corrigeert een onjuiste interpretatie door de rechter-commissaris, waardoor het akkoord alsnog kan worden gehomologeerd.

Uitkomst: Het akkoord in de schuldsaneringsregeling wordt als aangenomen beschouwd en het proces-verbaal wordt dienovereenkomstig verbeterd.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rekestnummer: C/05/407369 / HA RK 22-137
Beschikking van 31 augustus 2022
in de schuldsaneringsregeling (R.05/19/369) van
[verzoekende partij],
geboren op [geboortedatum] ,
wonende te [woonplaats] ,
bewindvoerder J.M.E. Brouwer
op het verzoek van:
[verzoekende partij],
verzoeker,
advocaat mr. R. Dufour te Amersfoort.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van de verificatievergadering (en stemming over het door verzoeker aangeboden akkoord), gehouden op 30 juni 2022 en aangehouden tot 14 juli 2022;
  • het verzoekschrift met producties, ter griffie ontvangen op 19 juli 2022;
  • de e-mail van mr. Dufour d.d. 15 augustus 2022.

2.Het verzoek

2.1.
Verzoeker verzoekt op grond van artikel 149 Faillissementswet Pro (Fw) om verbetering van het proces-verbaal van de verificatievergadering. In dat proces-verbaal is, onder meer, het volgende opgenomen:
(…)
De rechter-commissaris constateert dat aan de voor het aannemen van het akkoord geldende wettelijke vereisten niet is voldaan.
Met de invoering van de wettelijke regeling van de schuldsaneringsregeling (Staatsblad 1998, nl. 445) heeft de wetgever onder meer beoogd de kans op het tot stand brengen van een akkoord te vergroten. De voorwaarden voor het aannemen van een akkoord waren bij de invoering van artikel 332 Faillissementswet Pro minder strak dan (destijds) in het geval van faillissement of surseance van betaling golden. De voorwaarden zijn bovendien gelijkgesteld voor bevoorrechte en concurrente schuldeisers (MvT, kamerstukken TK 1992-1993, 22 969, nr. 3, p. 6-7 en p. 54-55). Met de wetswijziging van 15 januari 2005 (Staatsblad 2004, nr. 615) is de regeling van de stemming over het akkoord in een faillissement, in ieder geval ten aanzien van de gekwalificeerde meerderheid, gelijkgetrokken met die van artikel 332 Faillissementswet Pro. In de toelichting bij de wijziging van art. 145 Faillissementswet Pro heeft de wetgever opgemerkt: “Om die reden is ervoor gekozen te bepalen dat een gewone meerderheid van de concurrente schuldeisers voldoende is, die tezamen tenminste de helft van het bedrag aan concurrente vorderingen vertegenwoordigen. Bovendien is bepaald dat het betreft de meerderheid van de ter vergadering aanwezige schuldeisers.” (MvT, kamerstukken TK 1999-2000, 27 244, nr. 3, p. 19).
In geval van faillissement wordt algemeen aangenomen dat sprake moet zijn van een gewone meerderheid van de verschenen schuldeisers die gezamenlijk ten minste de helft van het totale bedrag van de toegelaten, niet voor voorrang gedekte, vorderingen vertegenwoordigt. Nu de wetgever voor het faillissement heeft willen aansluiten bij de regeling die al gold in de WSNP en in de parlementaire geschiedenis over artikel 332 Faillissementswet Pro geen specifieke toelichting wordt gegeven ten aanzien van (wijze van berekening van) de vereiste meerderheid brengt een redelijke wetsuitleg mee – anders dan betoogd namens de schuldenaar – dat met de zinsnede “het totale bedrag van hun vorderingen vertegenwoordigen” is bedoeld de totale vorderingen in de groep van “erkende en voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeisers”.
Alle ter vergadering vertegenwoordigde preferente schuldeisers, die gezamenlijk 100% van het totale bedrag van de preferente schulden vertegenwoordigen, zijn akkoord gegaan. Echter slechts vier ter vergadering vertegenwoordigde concurrente schuldeisers (in totaal € 7.408,38), die samen 3,24% van het totale bedrag van de concurrente schulden vertegenwoordigde, zijn akkoord gegaan. Nu dat niet de helft is, zal het akkoord derhalve niet worden aangenomen.
De rechter-commissaris heeft hierop bepaald dat de zitting van de homologatie van het akkoord niet door zal gaan. De schuldenaar en diens advocaat hebben ter zitting van 30 juni 2022 aangegeven dat als het akkoord niet wordt aangenomen, de schuldsaneringsregeling moet worden voortgezet.
(…)
2.2.
Volgens verzoeker heeft de rechter-commissaris ten onrechte vastgesteld dat het door hem aan de schuldeisers aangeboden akkoord is verworpen. Verzoeker stelt dat het bij de stemming door de concurrente schuldeisers vereiste quotum niet ziet op de totale schuldenlast, maar op de schuldenlast ten aanzien van de ter zitting verschenen schuldeisers. Dit leidt ertoe dat het akkoord als aangenomen moet worden beschouwd, aldus verzoeker.

3.De beoordeling

3.1.
Het verzoek is tijdig ingediend.
3.2.
Op grond van artikel 149 Fw Pro kan de gefailleerde na afloop van de verificatievergadering de rechtbank verzoeken het proces-verbaal te verbeteren als uit de stukken blijkt dat het akkoord door de rechter-commissaris ten onrechte als verworpen is beschouwd. Hoewel uit de jurisprudentie ter zake artikel 149 (en 148) Fw blijkt dat gedacht is aan de verbetering van fouten van rekenkundige (telfout) of administratieve (typefout) aard (Wessels Insolventierecht V 2011/5169) is de rechtbank van oordeel dat artikel 149 Fw Pro tevens grondslag biedt voor eventuele verbetering van de door gefailleerde gestelde fout, te weten een onjuiste interpretatie van artikel 332 Fw Pro.
3.3.
Artikel 332, lid 3 sub b, Fw luidt als volgt:
Tot het aannemen van het akkoord wordt vereist:
de toestemming van de gewone meerderheid van de ter vergadering verschenen schuldeisers van erkende en voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeisers, welke tezamen ten minste de helft van het totale bedrag van hun vorderingen vertegenwoordigen.
3.4.
De rechter-commissaris heeft voornoemd artikellid uitgelegd door aansluiting te zoeken bij artikel 145 Fw Pro. Artikel 145 Fw Pro luidt als volgt:
Tot het aannemen van het akkoord wordt vereist de toestemming van de gewone meerderheid van de ter vergadering verschenen erkende en voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeisers, die tezamen ten minste de helft van het bedrag van de door geen voorrang gedekte erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen.
3.5.
De rechtbank stelt vast dat vier van de zes concurrente schuldeisers ter zitting zijn vertegenwoordigd en allen voor het akkoord hebben gestemd. In het proces-verbaal is een onjuist bedrag aan schuldenlast van deze schuldeisers gehanteerd. Uit de bijgevoegde volmachten blijkt dat deze verschenen schuldeisers in totaal een bedrag van € 10.408,38, zijnde 4,59% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen. Hoe dan ook, in ieder geval is komen vast te staan dat de vereiste meerderheid (immers 100%) van de verschenen concurrente schuldeisers met het akkoord hebben ingestemd, maar dat deze schuldeisers niet de meerderheid van de totale concurrente schuldenlast vertegenwoordigen.
3.6.
De kern van het geschil is dan ook de vraag of artikel 332 Fw Pro, zoals de rechter-commissaris stelt, vereist dat de ter vergadering verschenen en met het akkoord instemmende schuldeisers de helft van de totale schuldenlast vertegenwoordigen. Of is, zoals verzoeker betoogt, het voldoende dat de met het akkoord instemmende schuldeisers ten minste de helft van de totale schuldenlast van de ter vergadering verschenen schuldeisers vertegenwoordigen?
3.7.
De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris het vereiste van artikel 332 lid 3 sub b Fw Pro verkeerd heeft uitgelegd. Hoewel de taalkundige lezing van de wettekst naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijkheid verschaft, is het niet onbegrijpelijk dat de rechter-commissaris ook naar de tegenhanger van dit artikel in faillissementen heeft gekeken. Echter, de uitleg die de rechter-commissaris vervolgens aan artikel 332 Fw Pro heeft gegeven, volgt de rechtbank niet. De rechter-commissaris doet een aanname dat de wetgever met (het nadien gewijzigde) artikel 145 Fw Pro heeft willen aansluiten bij artikel 332 Fw Pro en dat op laatstgenoemd artikel daarom tevens de uitleg van artikel 145 Fw Pro van toepassing is. De rechtbank ziet geen indicaties dat de wetgever dit heeft beoogd. Immers, bij de wijziging van artikel 145 Fw Pro is niet expliciet vermeld dat wordt aangesloten bij de wettelijke regels van de schuldsaneringsregeling. De wetgever heeft dit bij de wijziging van artikel 146 Fw Pro wel gedaan door op te nemen: “(…) Deze mogelijkheid is overgenomen uit de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, artikel 332, vierde lid; men zie ook de desbetreffende memorie van toelichting (…)” (MvT, kamerstukken TK 1999-2000, 27 244, nr. 3, p. 19). Bovendien heeft de wetgever ervoor gekozen niet de letterlijke tekst van artikel 332 lid 3 sub b Fw Pro te gebruiken voor artikel 145 Fw Pro. Indien de wetgever met artikel 145 Fw Pro aan had willen sluiten bij artikel 332 Fw Pro, had het voor de hand gelegen dat in artikel 145 Fw Pro ook was verwezen naar ‘hun vorderingen’. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar – de reeds door verzoeker aangehaalde – uitspraak van 14 juli 2015, rechtsoverweging 4.6. (ECLI:NL:RBGEL:2015:5785).
3.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat uit de wetsgeschiedenis niet valt af te leiden dat de wetgever, ondanks de van de tekst van artikel 332 Fw Pro afwijkende bewoordingen, met artikel 145 Fw Pro aan heeft willen sluiten bij de regeling die in de wettelijke schuldsaneringsregeling geldt voor het aannemen van een akkoord én dus ook niet dat de wetgever bij de wijziging van artikel 145 Fw Pro een (nadere) uitleg aan artikel 332 Fw Pro heeft willen geven, zoals de rechter-commissaris lijkt te suggereren. Dit betekent dat voor het akkoord in de schuldsaneringsregeling van verzoeker de schuldenlast van het totaal van de vorderingen van de ter vergadering verschenen schuldeisers voldoende is en dat de vorderingen van de niet (ter vergadering en stemming) verschenen schuldeisers daarbij niet meetellen.
3.9.
De conclusie is dat het verzoek tot verbetering van het proces-verbaal zal worden toegewezen, omdat uit de stukken blijkt dat het akkoord door de rechter-commissaris ten onrechte als verworpen is beschouwd.
3.10.
Verzoeker heeft (aanvullend) verzocht om, indien het akkoord als aangenomen wordt beschouwd, de homologatiezitting op acht dagen na deze beslissing te stellen, zodat de (eventuele) homologatie in beginsel vervolgens na acht dagen gezag van gewijsde zal verkrijgen. Gelet op de door verzoeker onderbouwde motivering dat de Belastingdienst als schuldeiser heeft ingestemd met het akkoord onder de voorwaarde dat de betaling uiterlijk 23 september 2022 moet zijn voldaan, zal de rechtbank dit verzoek met toepassing van artikel 335 lid 2 Fw Pro eveneens toewijzen.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verbetert het proces-verbaal van de verificatievergadering (en stemming over het door verzoeker aangeboden akkoord), gehouden op 30 juni 2022 en aangehouden tot 14 juli 2022 aldus dat het citaat zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.1. wordt vervangen door:
De rechter-commissaris constateert dat aan de voor het aannemen van het akkoord geldende wettelijke vereisten is voldaan.
Alle ter vergadering vertegenwoordigde preferente schuldeisers, die gezamenlijk 100% van het totale bedrag van de preferente schulden vertegenwoordigen, zijn akkoord gegaan.
Vier van de zes concurrente schuldeisers, en daarmee de meerderheid van de schuldeisers, zijn ter zitting vertegenwoordigd en alle verschenen concurrente schuldeisers, die daarmee ten minste de helft van het totale bedrag van hun vorderingen vertegenwoordigen, zijn akkoord gegaan.
Het akkoord moet daarom als aangenomen worden beschouwd.
4.2.
bepaalt dat de zitting over de homologatie van dit akkoord zal plaatsvinden uiterlijk acht dagen na deze beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.S. van Nijen en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2022.