ECLI:NL:RBGEL:2022:4495
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ambtshalve vernietiging kredietovereenkomst wegens niet-naleving informatie- en kredietwaardigheidsplichten
De zaak betreft een consumentenkredietovereenkomst gesloten op 24 mei 2018 tussen Intrum Nederland B.V. als rechtsopvolger van Otto B.V. en een consument. De eisende partij vorderde betaling op grond van deze kredietovereenkomst, maar de gedaagde partij is niet verschenen, waardoor verstek is verleend.
De kantonrechter toetste de vordering aan de dwingende bepalingen van het Europees consumentenrecht, met name de artikelen 7:59 tot en met 7:61 BW en artikel 4:34 Wft Pro. De eisende partij stelde dat zij aan haar informatieplicht had voldaan door een algemeen stappenplan en print-screens van de aanvraagprocedure te overleggen. Concrete, leesbare informatie over de specifieke klant en het Esic-formulier ontbraken echter, evenals bewijsstukken van de kredietwaardigheidstoets en navraag bij het BKR.
Gezien het ontbreken van deze essentiële informatie concludeerde de kantonrechter dat de eisende partij niet heeft voldaan aan haar wettelijke verplichtingen. Dit leidt tot de ambtshalve vernietiging van de kredietovereenkomst op grond van artikel 3:40 lid 2 BW Pro. Hierdoor is de kredietovereenkomst nietig en kan de vordering niet worden toegewezen.
De kantonrechter wijst echter de subsidiaire vordering tot onverschuldigde betaling toe, omdat de gedaagde partij het kredietbedrag zonder rechtsgrond heeft ontvangen. De gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 363,13 plus wettelijke rente, met verrekening van reeds betaalde rente en kosten. Tevens worden de proceskosten grotendeels aan de gedaagde opgelegd, met een deel griffierecht voor rekening van de eisende partij.
Uitkomst: De kredietovereenkomst wordt ambtshalve vernietigd en de gedaagde veroordeeld tot terugbetaling van € 363,13 plus wettelijke rente.