Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 9 februari 2022
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 3 juni 2022.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
1.442,00(2 punten × tarief € 721,00)
Rechtbank Gelderland
De zaak betreft een civiel geschil tussen de enig erfgenaam van een overledene en de koper van een woning die deel uitmaakt van de nalatenschap. De erfgenaam vorderde onder meer schadevergoeding en kostenvergoeding wegens gebreken aan de woning. Tijdens de procedure bleek dat de nalatenschap nog niet was afgewikkeld en dat een executeur was benoemd die het beheer voert over de nalatenschap.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 4:145 lid 2 BW Pro de executeur de erfgenamen vertegenwoordigt bij de vervulling van zijn taken, waardoor de erfgenaam niet zelfstandig in rechte kan optreden zolang de executeur zijn beheer voert. De vorderingen van de erfgenaam betreffen de woning die tot de nalatenschap behoort en zijn bedoeld tot betaling aan haarzelf, wat niet is toegestaan zonder medewerking van de executeur.
De rechtbank oordeelt dat de erfgenaam daarom niet-ontvankelijk is in haar vorderingen. De kosten van de procedure worden aan de erfgenaam opgelegd. De rechtbank wijst erop dat na beëindiging van het executeurschap een nieuwe procedure kan worden gestart en dat partijen kunnen proberen onderling afspraken te maken.
Uitkomst: De erfgenaam wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen wegens het beheer door de executeur.