ECLI:NL:RBGEL:2022:3385
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand onterecht wegens onvoldoende feitelijke grondslag
Eisers ontvingen sinds 1 april 2013 bijstand. Naar aanleiding van een opsporingsonderzoek naar vermeende betrokkenheid van eiser bij het faciliteren van prostitutie en het verhuren van onroerende zaken, trok verweerder het recht op bijstand in voor de periode van 1 september 2013 tot 31 januari 2019 en vorderde terugbetaling van €108.199,15.
Na bezwaar stelde verweerder de intrekking en terugvordering beperkt vast voor de periode van 31 januari 2017 tot 31 januari 2019, met een bedrag van €40.287,64. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat het aanvullend beroepschrift niet kon worden meegewogen wegens strijd met de goede procesorde.
De rechtbank concludeerde dat de rapportage handhaving onvoldoende feitelijke grondslag bood om te concluderen dat eiser gedurende de gehele periode op geld waardeerbare arbeid had verricht. De BVH-meldingen gaven wel aanwijzingen, maar de frequentie, omvang en duur van de activiteiten waren onvoldoende onderbouwd. Verweerder had zijn bewijslast niet voldaan, waardoor het besluit tot intrekking en terugvordering niet stand kon houden.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag.