Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.Het procesverloop
- de vader;
- de moeder, bijgestaan door mr. Y.L.L. van Zutphen;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling.
Rechtbank Gelderland
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van twaalf maanden. De procedure werd gelijktijdig behandeld met een zaak over het eenhoofdig gezag. De minderjarige woont bij de moeder en het ouderlijk gezag wordt door beide ouders gezamenlijk uitgeoefend.
Tijdens de mondelinge behandeling werden de minderjarige, de ouders en vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling gehoord. De moeder gaf aan het verzoek aanvankelijk als twijfel aan haar ouderschap te ervaren, maar was bereid mee te werken aan een ondertoezichtstelling indien deze werd uitgesproken. De vader uitte zorgen en machteloosheid, terwijl de minderjarige zelf geen meerwaarde zag in een ondertoezichtstelling, mede omdat hij geen contactherstel met zijn vader wenst.
De kinderrechter oordeelde dat er geen concrete zorgen zijn over de opvoedsituatie bij de moeder en dat er geen ruimte is om te werken aan verbetering van de communicatie tussen de ouders of aan contactherstel tussen de minderjarige en de vader. Gezien deze omstandigheden werd het verzoek tot ondertoezichtstelling afgewezen.
Tegelijkertijd werd in een afzonderlijke beschikking het eenhoofdig gezag aan de moeder toegekend, wat de context van het verzoek tot ondertoezichtstelling beïnvloedde. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2022.
Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt afgewezen wegens het ontbreken van een ontwikkelingsbedreiging.