Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.[eiser in conventie/verweerder in reconventie sub 1] ,
[eiser in conventie/verweerder in reconventie sub 2],
1.De procedure
- de dagvaarding
- de akte wijziging van eis en overlegging van producties van [eisers in conventie/verweerders in reconventie]
- de eis in reconventie van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie]
- de mondelinge behandeling op 4 mei 2022
- de pleitnota van [gedaagde in conventie/eiser in reconventie] .
2.De feiten
3.Het geschil in conventie
4.Het geschil in reconventie
5.De beoordeling in conventie
“(…) Uiteraard verlenen wij u de mogelijkheid om arbeid te verrichten aan de gevel ongeacht of dit wettelijk voorgeschreven staat. (…)”Daarnaast heeft [eisers in conventie/verweerders in reconventie] onweersproken aangevoerd dat de verhoudingen tussen partijen aanvankelijk goed waren. Tegen die achtergrond mag het geen verbazing wekken dat [eisers in conventie/verweerders in reconventie] op enig moment een stukadoor heeft benaderd en is aangevangen met de werkzaamheden. Anders dan [gedaagde in conventie/eiser in reconventie] stelt, hoeft [eisers in conventie/verweerders in reconventie] zijn stellingen met betrekking tot de stukadoor niet aan te tonen door middel van bewijs. In kort geding gelden de regels van het bewijsrecht immers niet. Voldoende is dat [eisers in conventie/verweerders in reconventie] zijn stellingen aannemelijk maakt en dat heeft hij op dit punt gedaan.
NJ2007, 37). Volgens de Hoge Raad kan in twee gevallen sprake zijn van ongeschiktheid voor behandeling in kort geding (HR 4 juni 1993,
NJ1993, 659). Ten eerste kan een zaak ongeschikt zijn indien de feiten binnen het beperkte kader van het kort geding niet voldoende tot klaarheid zijn gebracht. Ten tweede kan een zaak ongeschikt zijn indien de voorzieningenrechter de gevolgen van een door hem te geven beslissing niet voldoende kan overzien.