De rechtbank Gelderland behandelde het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot het verlenen van een opvolgende rechterlijke machtiging voor de duur van twee jaar voor de voortzetting van het verblijf van een cliënt met een verstandelijke handicap. De cliënt verblijft op een zorgpark en heeft een lopende machtiging tot 26 januari 2022.
Tijdens de mondelinge behandeling, die vanwege COVID-19 via beeldbellen plaatsvond, werden de cliënt, zijn advocaat, een gedragswetenschapper, een Wzd-arts en de moeder van de cliënt gehoord. Uit de medische stukken bleek dat de cliënt een verstandelijke beperking heeft en dat er sprake is van een autisme spectrum stoornis (ASS), maar de rechtbank nam de diagnose ASS niet over omdat deze niet door een psychiater was gesteld.
De rechtbank stelde vast dat het gedrag van de cliënt, zoals impulsiviteit, moeite met sociale situaties en het tonen van wervend gedrag via sociale media, leidt tot ernstig nadeel en risico’s zoals drugsgebruik, seksueel misbruik en verwaarlozing. Er zijn geen minder ingrijpende middelen om dit te voorkomen, en vrijwillige zorg is niet haalbaar vanwege het verzet van de cliënt.
De rechtbank oordeelde dat de criteria voor verlening van de opvolgende machtiging zijn vervuld en wees het verzoek toe voor de gevraagde duur van twee jaar, tot 17 januari 2024. De cliënt wenste een kortere duur, maar de rechtbank vond dit niet passend gezien de langdurige aard van de stoornis en het verzet van de cliënt.