Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2022:1127

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 januari 2022
Publicatiedatum
2 maart 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _1900
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.2 Wmo 2015Art. 2.3.8 Wmo 2015Art. 3:2 AwbArt. 7:15 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling gemeente Berkelland tot vergoeding proceskosten wegens schending onderzoeksplicht Wmo 2015

Eiseres had een indicatie voor hulp bij het huishouden die administratief werd verlengd. Na een melding en aanvraag voor verlenging bleek dat extra uren nodig waren vanwege incontinentie, maar de gemeente Berkelland had dit onvoldoende onderzocht bij het primaire besluit. De rechtbank stelt vast dat de gemeente in strijd met artikel 2.3.2 Wmo 2015 en artikel 3:2 Awb Pro niet de noodzakelijke kennis heeft vergaard over de beperkingen van eiseres.

De rechtbank benadrukt dat de onderzoeksplicht inhoudt dat het college niet alleen de aanvraag beoordeelt, maar ook actief moet nagaan welke problemen en beperkingen er zijn, en welke ondersteuning passend is. Omdat de gemeente dit naliet, is sprake van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen onrechtmatigheid.

Hierdoor is de gemeente gehouden de proceskosten te vergoeden die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken bij de behandeling van bezwaar en beroep. De rechtbank veroordeelt de gemeente tot vergoeding van € 1.841,- aan proceskosten en het griffierecht van € 50,-. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de proceskostenvergoeding betreft.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de proceskostenvergoeding betreft en veroordeelt de gemeente tot vergoeding van € 1.841,- aan proceskosten en € 50,- griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 21/1900

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 januari 2022

in de zaak tussen

[Eiser A] , uit [plaats A] , eiseres

(gemachtigde: mr. K. Wevers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland, verweerder
(gemachtigde: mr. V.M. Ter Mate-Hof).

Procesverloop

In het besluit van 28 augustus 2020 (primair besluit) heeft verweerder aan eiseres met ingang van 5 oktober 2020 een indicatie hulp bij het huishouden toegekend voor 139 uren op jaarbasis en voor onbepaalde tijd.
In het besluit van 24 februari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het verzoek om een vergoeding van de proceskosten afgewezen.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben te kennen gegeven geen prijs te stellen op een behandeling van het beroep op een zitting. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres had een indicatie voor hulp bij het huishouden (Ondersteuning Thuis) tot 9 augustus 2020. De indicatie is vervolgens administratief verlengd. De indicatie had een omvang van 3 uren per week. De opdracht werd uitgevoerd door MIEP huishoudservice. Op 5 juni 2020 heeft eiseres zich gemeld voor verlenging van de indicatie. Op 28 juli 2020 heeft een keukentafelgesprek plaatsgevonden met de heer [B] (consulent). Op 26 augustus 2020 heeft eiseres de aanvraag ingediend.
2. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft verweerder alsnog besloten om 14 uren op jaarbasis toe te kennen voor extra wasverzorging in verband met incontinentie. Eiseres heeft om die reden de inhoudelijke gronden tegen de omvang van de huishoudelijke hulp ingetrokken. In het bestreden besluit heeft verweerder de toegezegde extra 14 uren toegekend.
Het standpunt van eiseres
2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder het verzoek om een vergoeding van de proceskosten ten onrechte heeft afgewezen. Verweerder heeft naar aanleiding van de melding bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de Wmo 2015, geen onderzoek gedaan naar de factoren meer hulp in verband met incontinentie. Daarmee heeft verweerder de onderzoeksplicht geschonden. De wijziging van de indicatie in het bestreden besluit is het gevolg van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Het standpunt van verweerder
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat omstandigheden, extra wasverzorging in verband met incontinentie, die hebben geleid tot uitbreiding van de indicatie niet bekend waren ten tijde van het nemen van het primaire besluit. Uit hoofde van artikel 2.3.8, eerste lid, van de Wmo 2015 had eiseres verweerder actief moeten informeren over de beperkingen die zij ondervindt. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Het oordeel van de rechtbank

4. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dient verweerder nadat een melding bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de Wmo 2015 is gedaan, voldoende kennis te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Daarna moet worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving.
5. Hieruit vloeit voort dat het onderzoek zich niet mag beperken tot hetgeen eiseres heeft aangevraagd en houdt dus meer in dan alleen een claimbeoordeling. De onderzoeksplicht zoals vermeld in het vierde lid van artikel 2.3.2 brengt voorts mee dat verweerder zich een beeld moet vormen van de hulpvraag, van de beperkingen en de persoonskenmerken. Anderzijds dient eiseres, ingevolge artikel 2.3.2, zevende lid, van de Wmo 2015 het college de gegevens en bescheiden te verschaffen die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de voorbereiding van het primaire besluit in strijd met de artikelen 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015 en artikel 3:2 van Pro de Awb niet de nodige kennis heeft vergaard over de relevante feiten, in casu de beperkingen die eiseres ten gevolge van haar incontinentie ondervindt, en dat de herroeping dan ook heeft plaatsgevonden wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.
7. Uit het verslag en in samenhang met het verweerschrift van 26 november 2020 bezien, blijkt dat verweerder ten tijde van het nemen van het primaire besluit bekend was met de incontinentie van eiseres. Het is volgens de rechtbank een algemeen bekend verschijnsel dat incontinentie tot extra was kan leiden. Het had zodoende op de weg van verweerder gelegen om dit bij eiseres na te gaan. Door dit na te laten heeft verweerder het besluit niet zorgvuldig voorbereid.
8. Dat betekent dat er ten aanzien van het primaire besluit sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid en dat verweerder ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb gehouden was de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, te vergoeden.
9. Het beroep is gegrond.
Proceskosten en griffierecht
10. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden begroot op € 1.841,- voor de kosten gemaakt in bezwaar en beroep voor verleende rechtsbijstand.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • Vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op de - niet toegekende -vergoeding van de door eiseres in bezwaar gemaakte kosten;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 50,- vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.841,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Vaessen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.