ECLI:NL:RBGEL:2021:692
Rechtbank Gelderland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Betaling en verdeling kosten en premies gezamenlijke woning na beëindiging gemeenschap
Partijen hadden gezamenlijk een woning gekocht en een gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 BW Pro. Na beëindiging van hun affectieve relatie ontstond een geschil over de verdeling van kosten en betalingen die verband hielden met de woning, waaronder hypotheeklasten, kosten voor laminaat en keuken, en een bestuurlijke boete.
Eiser vorderde betaling van gedaagde voor haar aandeel in deze kosten, stellende dat gedaagde tekort was geschoten in haar bijdrageplicht en onrechtmatig had gehandeld. Gedaagde betwistte de vorderingen en stelde onder meer dat betalingen uit gezamenlijke huurinkomsten waren voldaan en dat zij een vordering had wegens premies van een levensverzekering die zij uit eigen middelen had betaald.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende inzicht had gegeven in de gezamenlijke inkomsten en uitgaven, waardoor niet kon worden vastgesteld dat gedaagde haar bijdrageplicht had geschonden. Uitgaven voor laminaat en keuken waren niet bevoegdelijk verricht en er was onvoldoende bewijs van waardevermeerdering. De bestuurlijke boete was deels door eiser betaald, waarvoor gedaagde de helft moest vergoeden.
De vordering van gedaagde tot terugbetaling van premies levensverzekering werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat zij deze premies uit eigen middelen had betaald. Beide partijen werden in het ongelijk gesteld voor hun overige vorderingen en moesten hun eigen proceskosten dragen.
Uitkomst: Gedaagde moet €750 betalen aan eiser voor haar aandeel in de bestuurlijke boete, overige vorderingen worden afgewezen.