Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de belastingrechter in een zaak over verzet tegen de Belastingdienst. Hij stelde dat er sprake was van vooringenomenheid en dat de rechtspraak het recht verdraaide, waarbij hij tevens kritiek uitte op de planning van de zittingstijd.
De rechtbank overwoog dat wraking alleen mogelijk is bij concrete feiten die wijzen op vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De stellingen van verzoeker betroffen algemene kritiek op de rechtspraak en waren niet specifiek gericht op de rechter in kwestie.
Verder werd toegelicht dat de zittingstijd afhankelijk is van meerdere factoren en dat de agendering van 10:45 uur geen aanwijzing voor vooringenomenheid vormt. Verzoeker was niet verschenen bij de mondelinge behandeling.
De wrakingskamer concludeerde dat er geen zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid en wees het verzoek af. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.