ECLI:NL:RBGEL:2021:1983

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 april 2021
Publicatiedatum
20 april 2021
Zaaknummer
8979941
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke veroordeling pachter tot betaling incassokosten en rente wegens te late pachtbetaling

De Provincie Gelderland vordert betaling van een restantbedrag van € 1.240,19 wegens niet tijdige betaling van de pachtprijs door de VOF en haar vennoten. De pachtprijs betrof twee schriftelijke pachtovereenkomsten voor het gebruiksseizoen 2019, waarbij betaling in twee termijnen was afgesproken. De eerste termijn van in totaal € 6.833,00 werd niet binnen de betalingstermijn voldaan, waarna incassokosten werden berekend.

De VOF en vennoten betwisten de vordering niet inhoudelijk, maar verwijzen naar overleg en een brief over late registratie van de pachtovereenkomsten. De rechtbank oordeelt dat dit geen uitstel van betaling impliceert en dat de incassokosten op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden verschuldigd zijn.

De rechtbank stelt vast dat het gevorderde bedrag aan incassokosten niet overeenkomt met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en wijst een lager, redelijk forfaitair bedrag van € 867,15 toe. De gevorderde handelsrente wordt afgewezen en vervangen door wettelijke rente conform artikel 6:119 BW Pro vanaf de dagvaarding. De VOF en vennoten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het bedrag, de rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De VOF en vennoten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 867,15 incassokosten, wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank GELDERLANd

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zutphen
Pachtkamer
Zaaknummer : 8979941 CV EXPL 21-192
Grosse aan : eisende partij
Afschrift aan : gedaagde partij
Verzonden d.d. :
vonnis d.d. 7 april 2021 van de pachtkamer
inzake
de publiekrechtelijke rechtspersoon Provincie Gelderland,
zetelende te Arnhem,
eisende partij,
gemachtigde: Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders,
tegen

1.de vennootschap onder firma [gedaagde partij 1] ,

gevestigd te [vest./woonplaats] ,

2. [gedaagde partij 2] ,

vennoot van gedaagde sub 1,
wonende en zaakdoende te [vest./woonplaats] ,

3. [gedaagde partij 3],

vennoot van gedaagde sub 1,
wonende en zaakdoende te [vest./woonplaats] ,
gedaagde partij,
schriftelijk procederend.
Partijen worden hierna Provincie Gelderland en de VOF (gedaagde sub 1) en de vennoten (gedaagden sub 2 en 3) genoemd.

1.Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, uitgebracht op 15 januari 2021
- het verzoek van de VOF en de vennoten om uitstel voor antwoord.
Hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, hebben de VOF en de vennoten niet meer gereageerd. Hierna is vonnis bepaald.

2.De vordering en het verweer

2.1
Provincie Gelderland vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de VOF en de vennoten hoofdelijk worden veroordeeld om aan haar te betalen een bedrag van € 1.240,19, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de voldoening en met hoofdelijke veroordeling van de VOF en de vennoten in de proceskosten.
2.2
Provincie Gelderland heeft hieraan ten grondslag gelegd dat tussen haar en de VOF twee schriftelijke pachtovereenkomsten zijn gesloten voor pachtobjecten in de gemeente Buren. Beide pachtovereenkomsten hebben betrekking op één gebruiksseizoen, ingaande op 1 januari 2019 en eindigende op 31 december 2019. In de toepasselijke algemene voorwaarden is onder meer bepaald dat de kosten die verbonden zijn aan incasso voor rekening van de pachter komen.
Overeengekomen is dat de pacht in twee gelijke termijnen wordt betaald. De eerste termijn van beide pachtovereenkomsten is in afzonderlijke facturen op 14 mei 2019 aan de VOF in rekening gebracht. De VOF heeft beide factuurbedragen van respectievelijk € 3.145,50 en € 3.687,50 (in totaal € 6.833,00) niet binnen de betalingstermijn van 30 dagen voldaan.
De vordering is ter incasso uit handen gegeven. Op grond van de toepasselijke voorwaarden zijn daarom buitengerechtelijke kosten verschuldigd, berekend op het tarief van € 1.024,95. Omdat de omzetbelasting niet verrekend kan worden, dient hierover ook de BTW ad € 215,24 te worden betaald. Verder is de wettelijke handelsrente ad 8% verschuldigd over het uitstaande saldo.
Na aanmaning door de gemachtigde van Provincie Gelderland heeft de VOF € 6.833,00 in mindering betaald, waarna een opstaand saldo van € 1.240,19 resteert.
2.3
De VOF en de vennoten hebben verweer gevoerd, stellende dat er veel overleg is geweest met Provincie Gelderland.

3.De beoordeling

3.1
De VOF en de vennoten hebben niet betwist dat de op 14 mei 2019 aan de
VOF in rekening gebrachte pachtbedragen niet binnen de geldende betalingstermijn zijn voldaan. Er is pas betaald, nadat de vordering ter incasso uit handen was gegeven. De gedane betaling betreft een bedrag dat gelijk is aan de per 14 mei 2019 verschuldigde pachtpenningen en is gedaan aan Provincie Gelderland. Daaruit wordt begrepen dat de VOF hiermee de hoofdsom heeft willen betalen.
3.2
Het voorgaande betekent dat het in deze procedure nog gevorderde bedrag van € 1.240,19 enkel ziet op de in rekening gebrachte buitengerechtelijke incassokosten. De VOF en de vennoten hebben niet weersproken dat bij te late betaling op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden tevens incassokosten verschuldigd zijn. Hun verwijzing naar een brief d.d. 27 november 2019 van Provincie Gelderland, waarin over een (te) late registratie van de pachtovereenkomsten wordt gesproken, maakt dit niet anders. Uit deze brief blijkt immers niet dat met het oog op de (te) late registratie aan de VOF uitstel voor betaling van de pachtprijs was verleend. Indien de VOF en de vennoten de vordering hadden willen betwisten, had het op hun weg gelegen om te onderbouwen waarom zij de incassokosten niet aan Provincie Gelderland verschuldigd zouden zijn. Nu zij niets meer overgelegd hebben, kan hun verweer niet aan de vordering in de weg staan.
3.3
Provincie Gelderland vordert ter zake de buitengerechtelijke incassokosten een bedrag dat is gebaseerd op een forfaitair tarief dat zij jegens de VOF als redelijk beschouwd. De hoogte van het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is echter niet in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Hoewel niet direct van toepassing, geldt dat deze tarieven geacht worden redelijk te zijn. Op basis van deze tarieven wordt een bedrag van € 867,15 (inclusief BTW) toegewezen.
3.4
De gevorderde wettelijke handelsrente zal worden afgewezen. Omdat de resterende vordering enkel incassokosten betreft, is daarover slechts de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro verschuldigd. Deze rente zal daarom worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding over het hiervoor vastgestelde tarief.
3.5
De VOF en de vennoten zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4.Beslissing

De pachtkamer:
4.1
veroordeelt de VOF en de vennoten hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de anderen zullen zijn bevrijd, om aan Provincie Gelderland te betalen een bedrag van € 867,15, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf 15 januari 2021 tot aan de dag van de voldoening;
4.2
veroordeelt de VOF en de vennoten, in die zin dat als de één betaalt de anderen zullen zijn bevrijd, in de kosten van het geding, aan de zijde van Provincie Gelderland tot op heden vastgesteld op:
€ 118,02 aan explootkosten;
€ 507,00 aan vast recht;
€ 124,00 aan salaris gemachtigde;
4.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door de pachtkamer van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, samengesteld uit mr
.M.C.J. Heessels, kantonrechter-voorzitter en de heren P.A.T. Hettinga en C.C.H.M. de Maes Janssen, leden, en door mr. M.C.J. Heessels in het openbaar uitgesproken op woensdag 7 april 2021, in tegenwoordigheid van de griffier.
jse