Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.[eiser 1] ,
[eiser 2],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 26 februari 2020
- de akte van [eisers] c.s.
- de antwoordakte van Achmea
- de brief van 2 september 2020 van [eisers] c.s. met producties 11 tot en met 13
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 17 september 2020
- de brief van mr. Esseling van 6 oktober 2020
- de akte overlegging producties van 14 oktober 2020 van Achmea
- de antwoordakte van 25 november 2020 van [eisers] c.s.
2.De feiten
3.De vordering
4.Het verweer
5.De beoordeling
Achtergrond
Per brief van 13 oktober 2010 (…) is Achmea door [eisers] op voorhand aansprakelijk gesteld voor schadeposten, die op dat moment overigens nog niet nader konden worden geconcretiseerd. Om proceseconomische redenen kiest [eisers] ervoor in deze vrijwaringsprocedure zich te concentreren op c.q. te beperken tot de hiervoor onder 2. bedoelde schade. Terzake van de overige posten – die welbeschouwd geen verband houden met de gevorderde vrijwaring – worden alle rechten door [eisers] jegens Achmea voorbehouden, als bedoeld in artikel 3:317, lid 1 BW.”
3.5 (…) Wanneer een eiser bij dagvaarding een deel van de vergoeding van door hem geleden schade vordert en nadien bij een tweede dagvaarding van dezelfde gedaagde een ander deel van de vergoeding van diezelfde schade vordert, en de tweede vordering berust op dezelfde feitelijke en juridische grondslag als de eerste, geldt de eerste dagvaarding als een daad van rechtsvervolging, die de verjaring stuit, ook met betrekking tot het bij de tweede dagvaarding gevorderde (vgl. HR 23 mei 1997, NJ 1997, 531).” De vragen die beantwoord moeten worden zijn of [eisers] c.s. bij de eerste dagvaarding een voorbehoud heeft gemaakt voor het meerdere en of de feitelijke en juridische grondslag voor vergoeding van de schade in beide procedures dezelfde is.
arbitrage conform polisvoorwaarden” op het verkeerde been gezet. Hij betwist dat arbitrage in de zin van artikel 1022 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is overeengekomen en neemt het standpunt in dat het beroep op arbitrage tardief is, omdat Achmea in de vrijwaringsprocedure daarop geen beroep heeft gedaan. Wat betreft de schaderegeling in de polisvoorwaarden heeft [eisers] c.s. opgemerkt dat hij hieraan geen uitvoering kon geven omdat partijen het niet eens konden worden over de akte van disakkoord. Op zich heeft hij de toepasselijkheid van de bindend advies regeling in de polisvoorwaarden niet betwist.
Op 31 januari 2011 hebben wij een rapportage uitgebracht (…), deze rapportage bleek onvolledig en dient daarom als vervallen te worden beschouwd. Het onderzoek was voornamelijk ingestoken op de hagelschade dan op de stormschade. Onder andere was de besmetting op het naast gelegen grasvelden niet in de rapportage opgenomen.”
dat de huurderving (lees: vertragingsschade) niet zozeer een dekkingskwestie is op grond van de polisvoorwaarden doch veeleer een kwestie tussen verzekerde en verzekeraar omdat de afhandeling van de stormschade vertraging opliep.”
6.De beslissing
31 maart 2021voor het nemen van een akte door [eisers] c.s. over hetgeen is vermeld onder rechtsoverweging 5.33, waarna de wederpartij op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,