ECLI:NL:RBGEL:2020:856

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 februari 2020
Publicatiedatum
11 februari 2020
Zaaknummer
NL20.181 VK
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 17 Dublinverordening
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. Dit besluit is genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij Nederland de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag aan Italië heeft overgedragen volgens de Dublinverordening.

Eiser stelde dat de Italiaanse asielprocedure en opvangvoorzieningen van een zeer laag niveau zijn en dat hij als alleenstaande man met traumatische ervaringen een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling bij overdracht. Hij beriep zich op artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro EU en voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Italië niet langer geldt. Tevens stelde hij dat de staatssecretaris zijn asielverzoek aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro.

De rechtbank oordeelde dat de aangevoerde gronden grotendeels overeenkomen met eerdere zienswijzen waarop de staatssecretaris uitvoerig en gemotiveerd heeft gereageerd. Omdat eiser deze gronden niet heeft aangevuld of gemotiveerd waarom de eerdere motivering onjuist zou zijn, kon de herhaling van deze gronden het besluit niet aantasten. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard.

De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.181

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2020 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser voert aan dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de Italiaanse asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De asielprocedure, leefomstandigheden en opvang van asielzoekers zijn van een zeer laag niveau. Daarnaast is eiser een alleenstaande man en is bijzonder kwetsbaar als gevolg van zeer traumatische ervaringen in zijn land van herkomst en in Italië. Doordat hij in Italië geen adequate opvang en medische zorg heeft ontvangen, zijn de fysieke en psychische klachten verergerd. Eiser stelt dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hieruit blijkt dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, aldus eiser. Daarnaast betoogt eiser dat verweerder zijn asielverzoek op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich moet trekken.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de gronden die eiser heeft aangevoerd in grote lijnen overeenkomen met de gronden die in de zienswijze zijn aangevoerd. Verweerder is hier in het bestreden besluit uitvoerig en gemotiveerd op ingegaan. Omdat eiser deze gronden in beroep niet nader heeft aangevuld en ook niet uitlegt waarom volgens hem die motivering in het bestreden besluit onjuist is, kan de enkele herhaling van de gronden in de zienswijze in beroep de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet aantasten. De beroepsgronden slagen daarom niet.
4. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.M. van den Assem, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.