ECLI:NL:RBGEL:2020:7027

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 december 2020
Publicatiedatum
12 januari 2021
Zaaknummer
05/881351-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a OpiumwetArt. 5 OpiumwetArt. 6:162 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs handel in geneesmiddelen zonder handelsvergunning

De rechtbank Gelderland behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het te koop aanbieden, verkopen en afleveren van geneesmiddelen zonder handelsvergunning in de periode van augustus tot november 2019. De tenlastelegging betrof diverse geneesmiddelen waaronder dexamfetamine, sildenafil en benzodiazepinen.

Tijdens de zittingen verklaarden twee medeverdachten dat verdachte de leverancier was van de aangetroffen middelen. Verdachte ontkende dit en gaf aan dat hij de middelen voor eigen gebruik had gekocht. Hoewel er aanwijzingen waren dat verdachte zich met handel bezighield, vond de rechtbank het bewijs onvoldoende om tot een veroordeling te komen.

De verklaringen van de medeverdachten werden niet als voldoende bewijs gezien en het telefoonverkeer tussen verdachte en medeverdachten gaf geen duidelijkheid over de aard van de contacten. De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van alle ten laste gelegde feiten en hief het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van handel in geneesmiddelen zonder handelsvergunning.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/881351-19
Datum uitspraak : 17 december 2020
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige economische kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .
Raadsman: mr. K.A. Krikke, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen
van 30 januari 2020, 23 april 2020 en 3 december 2020.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij (telkens) in of omstreeks de periode van 2 augustus 2019 tot en met 4 november 2019 te Tiel en/of Ochten en/of Bunschoten-Spakenburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning geldt, te koop heeft aangeboden en/of heeft verkocht en/of heeft afgeleverd en/of ter hand heeft gesteld en/of heeft ingevoerd, te weten:
- een hoeveelheid Dexamfetaminesulfaat 2,5 mg (De Collegiale Bereiding) bevattende de
werkzame stof dexamfetamine 2,5 mg (volgnummer 24);
- een hoeveelheid Cenforce-200 bevattende de werkzame stof sildenafilcitraat 200 mg (volgnummer 34);
- een hoeveelheid Dexamfetaminesulfaat 2,5 mg (Pharmaline) bevattende de werkzame stof dexamfetamine 2,5 mg (volgnummer 36);
- een hoeveelheid Kamagra oral Jelly 100 mg bevattende de werkzame stof sildenafilcitraat 100 mg (volgnummer 38);
- een hoeveelheid Cobra-120 bevattende de werkzame stof sildenafil 120 mg (volgnummer 42) en/of
- een hoeveelheid Kamagra film coated bevattende de werkzame stof sildenafil 100 mg
(volgnummer 55);
2.
hij in of omstreeks de periode van 2 augustus 2019 tot en met 4 november 2019 te Tiel en/of Ochten en/of Bunschoten-Spakenburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
- een hoeveelheid Methylfenidaat, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
methylfenidaat, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die Wet;
3.
hij in of omstreeks de periode van 2 augustus 2019 tot en met 4 november 2019 te Tiel en/of Ochten en/of Bunschoten-Spakenburg, althans in Nederland, tezamen en vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
- een hoeveelheid Temazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende temazepam;
- een hoeveelheid Oxazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
oxazepam;
- een hoeveelheid Diazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
diazepam en/of
- een hoeveelheid Bromazepam, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
Bromazepam (telkens) zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met uitzondering van het onder feit 1 ten laste gelegde middel Cobra-120. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 190 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en voorts tot het verrichten van 180 uren werkstraf subsidiair 90 dagen hechtenis.
De verdediging heeft voor een integrale vrijspraak gepleit.

3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De rechtbank zal de feiten 1, 2 en 3 samen beoordelen gelet op hun onderlinge samenhang. De rechtbank zal verdachte van alle feiten vrijspreken en overweegt daartoe als volgt.
Op 4 november 2019 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de destijds als medeverdachte aangemerkte [medeverdachte 1] en diens partner, medeverdachte [medeverdachte 2] , aan de [adres 2] . In de woning werd een aanzienlijke hoeveelheid geneesmiddelen aangetroffen, waaronder de middelen zoals in de tenlastelegging genoemd. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben ieder afzonderlijk verklaard dat verdachte de leverancier was van deze middelen. Verdachte ontkent het tenlastegelegde en heeft verklaard dat hij bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] voor eigen gebruik erectiemiddelen heeft gekocht.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er weliswaar aanwijzingen in het dossier dat verdachte zich heeft bezig gehouden met handel in geneesmiddelen en verdovende middelen, maar is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte deze middelen te koop zou hebben aangeboden, zou hebben verkocht, dan wel afgeleverd en/of ter hand zou hebben gesteld. Enkel de verklaringen van de twee medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die verdachte hebben aangewezen als de leverancier van de bij hen aangetroffen middelen acht de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Het feit dat er telefooncontacten zijn geweest tussen verdachte enerzijds en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] anderzijds maakt dat niet anders. Uit het dossier is niet op te maken waar deze contacten betrekking op hebben gehad. Verdachte zal daarom van de ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken.

4.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten;
 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Wasmann (voorzitter), mr. G. Noordraven en
mr. L.M. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Veenker, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 december 2020.