Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
a) (…)
Rechtbank Gelderland
In deze zaak staat de uitleg van het pensioenontslagbeding centraal, waarin partijen verschillen van mening over de pensioengerechtigde leeftijd die het einde van de arbeidsovereenkomst bepaalt. De verzoekende partij stelt dat de arbeidsovereenkomst pas eindigt bij het bereiken van de pensioenrichtleeftijd van 68 jaar, terwijl de Orde van Advocaten de AOW-leeftijd van 66 jaar en 4 maanden als einddatum hanteert.
De kantonrechter past het Haviltex-criterium toe om de redelijke verwachtingen van partijen bij het beding te bepalen. Gezien de omstandigheden bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst in 2005, toen de pensioengerechtigde leeftijd nog gelijk was aan de AOW-leeftijd van 65 jaar, en het feit dat partijen tot 2019 uitgingen van beëindiging bij de AOW-leeftijd, wordt geoordeeld dat met pensioengerechtigde leeftijd de AOW-leeftijd wordt bedoeld.
De rechtbank overweegt dat de verhoging van de pensioenrichtleeftijd na 2014 en de mogelijkheid voor de werknemer om de ingangsdatum van het aanvullend pensioen te bepalen, niet heeft geleid tot een wijziging van het pensioenontslagbeding. Daarnaast is vastgesteld dat de verzoekende partij goed op de hoogte was van haar pensioenpositie en dat de Orde haar voldoende heeft geïnformeerd.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd op 6 november 2019, de AOW-leeftijd van de verzoekende partij. De vorderingen tot betaling van transitievergoeding, billijke vergoeding en salarisvergoedingen worden afgewezen. De verzoekende partij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst eindigde rechtsgeldig op de AOW-leeftijd van 6 november 2019; alle vorderingen van de werknemer worden afgewezen.