ECLI:NL:RBGEL:2020:535

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 januari 2020
Publicatiedatum
30 januari 2020
Zaaknummer
05-863130-13 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontnemingsvordering wegens ontbreken wederrechtelijk verkregen voordeel

De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €3.406.969,-, voortvloeiend uit meervoudige oplichting, medeplegen valsheid in geschrifte en overtreding van de wapens- en munitiewet. De zaak werd onderzocht op 31 oktober 2019, waarbij verdachte niet aanwezig was maar vertegenwoordigd door zijn raadsman.

De rechtbank nam het vonnis van 12 december 2019 in aanmerking, waarin verdachte veroordeeld werd tot 24 maanden gevangenisstraf (waarvan 8 maanden voorwaardelijk) voor medeplegen van oplichting. Uit het dossier bleek dat gelden door slachtoffers aan verdachte waren overgemaakt, maar dat verdachte deze bedragen doorgestort had aan een medeverdachte, die het geld contant opnam.

Getuigenverklaringen toonden aan dat verdachte tijdens het verhoor weinig geld had en zijn woning had moeten verkopen. Er was geen bewijs dat verdachte een vergoeding ontving voor zijn aandeel in het strafbare feit. Daarom oordeelde de rechtbank dat niet aannemelijk was dat verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel had genoten en wees zij de ontnemingsvordering af.

Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af wegens het ontbreken van aannemelijk wederrechtelijk verkregen voordeel door verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Meervoudige Strafkamer
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer : 05/863130-13
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]
Raadsman: mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer.

1.De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is gesteld op
€ 4.192.675,07.

2.De procedure

Ter terechtzitting van 22 april 2014 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt.
Het onderzoek is vervolgens geschorst.

3.Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 31 oktober 2019 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is veroordeelde niet verschenen. Als uitdrukkelijk gemachtigde raadsman is ter terechtzitting verschenen,
mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer. Het onderzoek is gesloten op 12 december 2019.
De officier van justitie, mr. P. de Jong, heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en heeft gevorderd dat het voordeel wordt gesteld op € 3.406.969,-.
De raadsman van veroordeelde heeft het woord ter verdediging gevoerd.

4.De beoordeling van de vordering

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het bedrag van de ontnemingsvordering teruggebracht tot de optelsom van de in tenlastelegging genoemde bedragen voor zover die volgens de officier van justitie bewezen kunnen worden verklaard in de hoofdzaak. Volgens de officier van justitie zijn de bedragen grotendeels naar [medeverdachte] overgemaakt, maar is niet duidelijk geworden waar al het geld daarna is gebleven, onder die omstandigheden dient het ontnemingsbedrag te worden geschat op het totaalbedrag dat door de oplichting is verkregen en dient de ontnemingsvordering hoofdelijk te worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gesteld dat veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Al het geld is bij [medeverdachte] terecht gekomen. Dit is mede op te maken uit een tapgesprek tussen veroordeelde en [medeverdachte] .
Beoordeling door de rechtbank
Bij de beoordeling van de onderhavige vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 12 december 2019 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde onder meer ter zake van oplichting, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen gepleegd, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis.
De rechtbank staat voor de vraag gesteld of aannemelijk is dat veroordeelde uit dit feit voordeel heeft genoten.
Verdachte is in de hoofdzaak veroordeeld voor medeplegen van oplichting van verschillende personen. Uit het dossier kan worden afgeleid dat door de slachtoffers gelden aan veroordeelde zijn overgemaakt. Dit zou een grondslag kunnen vormen voor het toewijzen van de ontnemingsvordering Uit het dossier blijkt evenwel ook dat deze gelden door veroordeelde zijn doorgestort naar mededader [medeverdachte] en vervolgens door of voor [medeverdachte] contant zijn opgenomen. Uit het dossier is niet gebleken dat medeverdachte [medeverdachte] geld – giraal dan wel contant - aan veroordeelde heeft betaald of dat veroordeelde op andere wijze een vergoeding heeft ontvangen voor zijn bijdrage aan het in de hoofdzaak bewezenverklaarde feit.
De rechtbank acht daarbij ook van belang dat uit verklaringen van getuigen
[getuige 1] en [getuige 2] die zij bij de rechter-commissaris hebben afgelegd, volgt dat veroordeelde ten tijde van het verhoor niet veel geld tot zijn beschikking heeft en zijn huis heeft moeten verkopen.
De rechtbank is kortom van oordeel dat de ontnemingsvordering afgewezen moet worden, omdat niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

5.De beslissing

De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw (voorzitter),
mr. R. Raat en mr. T. Bertens, rechters,
in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op
30 januari 2020.