Uitspraak
1.De inhoud van de vordering
2.De procedure
3.Het onderzoek ter terechtzitting
4.De beoordeling van de vordering
5.De beslissing
30 januari 2020.
Rechtbank Gelderland
De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €3.406.969,-, voortvloeiend uit meervoudige oplichting, medeplegen valsheid in geschrifte en overtreding van de wapens- en munitiewet. De zaak werd onderzocht op 31 oktober 2019, waarbij verdachte niet aanwezig was maar vertegenwoordigd door zijn raadsman.
De rechtbank nam het vonnis van 12 december 2019 in aanmerking, waarin verdachte veroordeeld werd tot 24 maanden gevangenisstraf (waarvan 8 maanden voorwaardelijk) voor medeplegen van oplichting. Uit het dossier bleek dat gelden door slachtoffers aan verdachte waren overgemaakt, maar dat verdachte deze bedragen doorgestort had aan een medeverdachte, die het geld contant opnam.
Getuigenverklaringen toonden aan dat verdachte tijdens het verhoor weinig geld had en zijn woning had moeten verkopen. Er was geen bewijs dat verdachte een vergoeding ontving voor zijn aandeel in het strafbare feit. Daarom oordeelde de rechtbank dat niet aannemelijk was dat verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel had genoten en wees zij de ontnemingsvordering af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af wegens het ontbreken van aannemelijk wederrechtelijk verkregen voordeel door verdachte.