De rechtbank Gelderland behandelde de zaak van verdachte die werd beschuldigd van verkrachting op of omstreeks 9 februari 2019 te Apeldoorn. Verdachte erkende seksuele handelingen met de aangeefster, maar betwistte dat deze onder dwang plaatsvonden. De officier van justitie stelde dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kon worden geacht.
De rechtbank onderzocht het bewijs, waaronder verklaringen van de aangeefster, sporenonderzoek en telefoongegevens. Er was letsel vastgesteld bij de aangeefster, maar het dossier bevatte onvoldoende aanwijzingen over het tijdstip en de oorzaak van dit letsel. Ook ontbrak bevestiging van andere essentiële punten uit de aangifte, zoals het uitrukken van haar en het verloop van de gebeurtenissen. Telefoononderzoek toonde wel contact, maar geen ondersteunend bewijs van dwang.
De rechtbank vond het onwaarschijnlijk dat na een verkrachting nog een zakelijk telefoongesprek zou plaatsvinden voordat de politie werd gebeld. Gezien de onduidelijkheden en het ontbreken van overtuigend bewijs, sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter.