Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechters van de meervoudige strafkamer in een strafzaak tegen hem. Het verzoek volgde op een beslissing van de rechters om auditieve opnames van een informatief gesprek en aangifte niet toe te voegen aan het procesdossier, waarbij bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster werd aangevoerd.
De rechtbank oordeelde dat een wrakingsverzoek tijdig moet worden ingediend zodra de feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot wraking aan verzoeker bekend zijn. De omstandigheden waren tijdens de zitting van 28 augustus 2020 bekend, maar het wrakingsverzoek werd pas op 1 september 2020 ingediend, zonder redelijke verklaring voor het tijdsverloop.
Verzoeker stelde dat de beslissing van de rechters getuigde van vooringenomenheid en dat de rechtbank partij koos voor de aangeefster. De rechtbank verwierp dit en benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn tenzij bijzondere omstandigheden het tegendeel aantonen.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie en concludeerde dat verzoeker zijn wrakingsverzoek te laat had ingediend en daarom niet-ontvankelijk was. Een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek vond niet plaats. De beslissing werd op 29 september 2020 in het openbaar uitgesproken en is niet vatbaar voor beroep.