Uitspraak
6 maart 2019, beroep ingesteld.
17 juli 2020 en ook tijdens de zitting aan verweerder is verstrekt.
[persoon B] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [persoon C1] , mr. [persoon C2] en
mr. [persoon C3] .
[persoon L] ) gestuurd met onder andere de volgende inhoud:
“Initieel voorstel augustus 2013(…)Jullie hebben tijdens het gesprek op 22 augustus aangegeven niet in te willen stappen tegen een waardering die op basis van een entry-multiple van 6.0x op het moment van instappen effectief onder water staat.
Herzien voorstel september 2013
Recente ontwikkelingen sinds november 2013
Conclusie
Geschil
b. vorderbaar en tevens inbaar wordt.
1 januari 2012 maar ook op 17 september 2013 niet wat hij precies zou verkrijgen voor zijn koopsom van € 200.000 respectievelijk € 400.000. Uit de e-mail van [persoon B] van 4 oktober 2013 blijkt dat hij de op 17 september 2013 door eiseres voorgestelde uitwerking van de managementparticipatie nog niet had aanvaard. Dit wordt bevestigd door het memo van eiseres van 3 oktober 2014. Daarin is immers vermeld dat [persoon B] nog vragen had over de uitwerking en dat daarover nog overleg zou plaatsvinden. Pas in maart 2014 werd door eiseres een eindvoorstel gedaan waarna overeenstemming is bereikt over de essentialia van de overeenkomst. Pas toen was sprake van aanvaarding van het aanbod van eiseres door [persoon B] . Gelet hierop concludeert de rechtbank dat er pas in 2014 een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de gehele managementparticipatie. Op dat moment is de inhoud van het recht op levering van de certificaten volledig bepaald en onvoorwaardelijk geworden. Het gelijk is op dit punt aan verweerder.
mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg, griffier.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;