Uitspraak
1.De inhoud van de vordering
2.De procedure
3.Het onderzoek ter terechtzitting
4.De beoordeling van de vordering
€ 60,00-
€ 748,00.
5.De toegepaste wettelijke bepalingen
6.De beslissing
€ 748,00 (zevenhonderdachtenveertig euro);
Rechtbank Gelderland
De rechtbank Gelderland behandelde op 6 augustus 2020 de ontnemingsvordering tegen veroordeelde, die was veroordeeld voor gewoonteheling. De officier van justitie vorderde aanvankelijk €3.456,44 als wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op een verdeling van opbrengsten tussen veroordeelde en een medeverdachte.
Ter zitting werd het gevorderde bedrag bijgesteld tot €1.027, waarbij rekening werd gehouden met een verdeling van 25% voor veroordeelde en 75% voor de medeverdachte. De verdediging betwistte dit en stelde het voordeel op €748,04, omdat alleen bankbetalingen van €3.521,15 waren ontvangen en contante betalingen niet mochten worden meegerekend. Tevens werden verzendkosten en terugbetalingen in mindering gebracht.
De rechtbank oordeelde dat veroordeelde via Marktplaats goederen had verkocht die door de medeverdachte waren verduisterd. Op basis van bankafschriften en verklaringen werd het totaal aan bijgeschreven bedragen vastgesteld op €3.521,15. Na aftrek van verzendkosten en terugbetalingen en toepassing van de 25% verdeling kwam de rechtbank tot een bedrag van €748 als wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen en bepaalde de maximale duur van gijzeling op veertien dagen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €748 en legt betaling aan de Staat op.