ECLI:NL:RBGEL:2020:3433
Rechtbank Gelderland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening vrijstelling mondkapjesplicht openbaar vervoer
Verzoeker heeft een vrijstelling gevraagd van de verplichting tot het dragen van een mondkapje in het openbaar vervoer, verwijzend naar bepalingen in de Noodverordening COVID-19 Veiligheidsregio Gelderland-Zuid. Verweerder heeft het verzoek niet in behandeling genomen omdat de Noodverordening zich richt op vervoerders en niet op individuele reizigers, en hij daarom niet bevoegd is vrijstelling te verlenen.
De voorzieningenrechter beoordeelde eerst of de brief van verweerder van 30 juni 2020 een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is. Gelet op vaste rechtspraak is dit het geval omdat de brief een oordeel bevat over de bevoegdheid van verweerder om vrijstelling te verlenen. Vervolgens is onderzocht of de Noodverordening een verbod bevat voor reizigers om zonder mondkapje te reizen, wat noodzakelijk is voor het verlenen van een vrijstelling.
De rechter concludeerde dat de Noodverordening alleen verplichtingen oplegt aan vervoerders om maatregelen te treffen, maar geen verbod voor individuele reizigers bevat. Het verbod op het reizen zonder mondkapje is gebaseerd op de Wet personenvervoer 2000 en de aanwijzingen van vervoerders zelf. Omdat verweerder niet bevoegd is vrijstelling te verlenen van deze aanwijzingen, heeft het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen.
Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor vrijstelling van de mondkapjesplicht in het openbaar vervoer wordt afgewezen.