ECLI:NL:RBGEL:2020:2929
Rechtbank Gelderland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassingsbereik EPGV-Verordening en burenrechtelijke geschillen over erfafscheiding
In deze civiele procedure staat een burenrechtelijk geschil centraal tussen [eiser], eigenaresse van een perceel, en [gedaagden], gezamenlijk eigenaar van het aangrenzende perceel. [Eiser] vordert betaling van schadevergoeding wegens het onrechtmatig plaatsen van schoren tegen een schutting en het snoeien van haar beplanting. [Gedaagden] verweren zich met het standpunt dat de schutting op eigen verzoek en kosten van [eiser] is geplaatst en dat onderhoudsgebreken aan haar zijde de oorzaak zijn van het hellen van de schutting.
Daarnaast vordert [gedaagde 1] een tegenvordering van meer dan € 4.200,- exclusief btw, verwijdering van bomen en opschot, inzage in persoonsgegevens en facturen, en betaling van proceskosten. [Eiser] betwist deze vorderingen en verzoekt om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de toepasselijkheid van de EPGV-Verordening.
De kantonrechter stelt vast dat de vordering van [eiser] binnen de EPGV-Verordening valt omdat deze onder € 5.000 blijft en grensoverschrijdend is. De tegenvorderingen overschrijden echter de € 5.000 grens, mede door btw en niet-geldelijke vorderingen, waardoor deze niet binnen de EPGV-Verordening kunnen worden behandeld. De kantonrechter wijst erop dat indien de tegenvorderingen niet worden ingetrokken, de procedure wordt voortgezet volgens de dagvaardingsprocedure met mogelijkheid tot mondelinge behandeling.
Ten aanzien van de procesrechtelijke termijnen oordeelt de kantonrechter dat het uitstel voor het indienen van het verweerschrift rechtsgeldig was en dat geen prejudiciële vragen nodig zijn. De beslissing wordt aangehouden totdat [gedaagde 1] aangeeft of hij zijn tegenvorderingen intrekt.
Uitkomst: De procedure wordt aangehouden en [gedaagde 1] krijgt 30 dagen om zijn tegenvorderingen in te trekken; bij weigering wordt de procedure voortgezet volgens de dagvaardingsprocedure.