ECLI:NL:RBGEL:2020:2277

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 april 2020
Publicatiedatum
16 april 2020
Zaaknummer
8116002
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 137 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over specificatie materiaalkosten en uren bij bouwopdracht

In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen eiser en gedaagde over de betaling van een eindfactuur voor werkzaamheden aan de kelder en uitbouw van een woning. Eiser heeft in 2018 werkzaamheden verricht en facturen gestuurd die deels zijn voldaan. De eindfactuur omvat een totaalbedrag inclusief materialen en uren, waarover gedaagde discussieert vanwege het ontbreken van een duidelijke specificatie en onenigheid over het aantal uren en het uurtarief.

De rechtbank constateert dat de specificatie van de materialen onvoldoende inzichtelijk is, mede doordat de relevante facturen zwartgelakt zijn. Eiser wordt daarom verzocht deze facturen opnieuw in te dienen met leesbare bedragen en een toelichtende lijst. Tevens moet gedaagde duidelijk maken hoe hij tot zijn lagere aantal gewerkte uren komt. Daarnaast wordt eiser de gelegenheid geboden te reageren op een WhatsApp-bericht waarin een lager uurtarief wordt genoemd.

Partijen krijgen de mogelijkheid om schriftelijk op elkaars stukken te reageren, waardoor zij feitelijk re- en dupliek kunnen voeren. De mondelinge behandeling kon vanwege de coronacrisis niet doorgaan, waardoor dit tussenvonnis ter nadere instructie dient. De zaak wordt verwezen naar een volgende rolzitting voor het nemen van de benodigde aktes, waarna het vonnis zal volgen.

Uitkomst: De rechtbank wijst partijen aan om aanvullende stukken te overleggen en houdt verdere beslissing aan tot na schriftelijke reacties.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Nijmegen
zaakgegevens 8116002 \ CV EXPL 19-4389 \ 398
uitspraak van
Vonnis
in de zaak van
[eiser]
wonende te [woonplaats]
eisende partij
gemachtigde mr. R.J. Verweij (Verweij Advocaten)
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
gemachtigde: mr. P.R.Th. Schulting (DAS Rechtsbijstand)
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1
In het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 20 december 2019 is een comparitie van partijen (mondelinge behandeling) bepaald. De conclusie van antwoord was op dezelfde datum genomen. Op de rol van 17 januari 2020 heeft [gedaagde] bij “akte opgave verhinderdata tevens houdende eis in reconventie” een eis in reconventie willen instellen. Ingevolge artikel 137 Rv Pro had dat echter dadelijk bij antwoord gemoeten, zodat die eis buiten behandeling moet blijven.
1.2
De voor 25 maart 2020 geplande mondelinge behandeling heeft vanwege de coronacrisis geen doorgang kunnen vinden. In verband daarmee is de zaak op 23 maart 2020 voor vonnis komen te staan. Het onderhavige vonnis dient, zo mogelijk ter vervanging van (een deel van) de mondelinge behandeling, ter nadere instructie van de zaak.

2.De zaak en het verdere verloop ervan

2.1
In opdracht van [gedaagde] heeft [eiser] in 2018 werkzaamheden verricht aan de kelder van de woning van [gedaagde] en de daarop gerealiseerde uitbouw. [eiser] heeft naar aanleiding daarvan op 9 juli 2018 en op 31 juli 2018 facturen gezonden aan [gedaagde], die deze heeft voldaan. Die facturen bedroegen samen € 32.982,86 (inclusief btw) en betroffen 340 manuren en op die facturen verder niet gespecificeerde materialen. Partijen hebben de opdracht daarna beëindigd en [eiser] heeft op 7 oktober 2018 een eindfactuur gestuurd. Op die eindfactuur, die de totale hoeveelheid aan materialen en manuren behelst, is de aard van de materialen enigszins uitgesplitst en daarnaast zijn 513 uren in rekening gebracht. Daarop zijn de betalingen van de eerdere facturen in mindering gebracht, waarna een bedrag van € 11.801,66 (inclusief btw) resteerde. [gedaagde] is echter niet tot betaling overgegaan, omdat hij eerst een specificatie van de materiaalkosten wenst. Daarnaast is hij het niet eens met het aantal opgegeven uren en het door [eiser] gehanteerde tarief.
2.2
[eiser] zegt de specificatie van de berekende materialen wel te hebben gegeven, te weten op 7 en/of 23 oktober 2018. Dat staat in een e-mail van de gemachtigde van [eiser] aan de gemachtigde van [gedaagde] van 3 juli 2019. Bij die brief zit een groot aantal facturen uit de periode mei tot en met augustus 2018, kennelijk bestemd voor [eiser] en hier en daar verwijzend naar het adres van [gedaagde]. Volgens de eindfactuur wordt exclusief btw voor € 16.492,- aan materialen in rekening gebracht. Dat zou dus eveneens uit die rekeningen moeten volgen. De bedragen daarin zijn echter zwart gelakt. [eiser] zal worden verzocht die rekeningen opnieuw in het geding te brengen maar dan met leesbare bedragen en vergezeld van een lijst waaruit een optelling van die bedragen blijkt. [eiser] zal die lijst van een korte toelichting kunnen voorzien. Als zich een verschil voordoet met het gefactureerde bedrag voor materialen van € 16.492,- wordt [eiser] verzocht ook dat verschil toe te lichten. [gedaagde] mag daarop dan bij antwoordakte reageren.
2.3
Wat de uren betreft bevindt zich bij de genoemde brief van 3 juli 2019 ook een handgeschreven lijstje met, zo begrijpt de kantonrechter, gewerkte uren per dag. Het totaal daarvan ligt iets hoger dan het in de eindfactuur opgegeven aantal uren. Volgens [gedaagde] – zie de brief van zijn gemachtigde van 19 juni 2019 – is maar 367,5 uur gewerkt. Hoewel dat getal in de conclusie van antwoord niet meer wordt genoemd wenst [gedaagde] daar kennelijk nog wel bij aan te sluiten. [gedaagde] wordt verzocht bij akte duidelijk te maken hoe hij aan dat aantal uren komt. [eiser] zal daarop dan bij antwoordakte kunnen reageren.
2.4
[gedaagde] is het ook niet eens met het door [eiser] gehanteerde uurtarief van
€ 40,- inclusief btw. Hij beroept zich in dit verband op een WhatsApp-bericht van 23 oktober 2018 waarin [eiser] voor zichzelf een uurtarief van € 30,- opgeeft. [gedaagde] gaat er in de brief van zijn gemachtigde van 19 juni 2019 coulancehalve vanuit dat dit bedrag exclusief btw is.
2.5
[eiser] zal de gelegenheid worden gegeven bij akte te reageren op het genoemde WhatsApp-bericht. [gedaagde] kan daar dan weer bij antwoordakte op reageren.
2.6
De zaak zal dus naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte door [eiser] overeenkomstig de overwegingen 2.2 en 2.5 en door [gedaagde] overeenkomstig overweging 2.3, waarna partijen over en weer op elkaars aktes bij antwoordakte kunnen reageren. [eiser] kan in zijn eerste akte zo nodig nog andere punten aanstippen naar aanleiding van de conclusie van antwoord van [gedaagde]. [gedaagde] kan op die punten dan in zijn antwoordakte reageren. Partijen hebben daarmee dan in feite de mogelijkheid van re- en dupliek gehad. De zaak zal vervolgens voor vonnis komen te staan.
2.7
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.De beslissing

3.1
verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 8 mei 2020 voor akte uitlating aan de zijde van [eiser] overeenkomstig de overwegingen 2.2 en 2.5 en aan de zijde van [gedaagde] overeenkomstig overweging 2.3, waarna partijen over en weer op elkaars aktes bij antwoordakte kunnen reageren. De zaak zal vervolgens voor vonnis komen te staan;
3.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op