ECLI:NL:RBGEL:2020:1330

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 februari 2020
Publicatiedatum
28 februari 2020
Zaaknummer
05/900256-06 en 05/510648-06
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2:12 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling na moordveroordeling

Een 36-jarige man, veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf voor moord in 2007, vroeg om uitstel van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling. Het Openbaar Ministerie vorderde uitstel van een jaar om eerst een persoonlijkheidsonderzoek te laten uitvoeren, gezien het risico op recidive en de ernst van het delict.

Tijdens de openbare zitting op 13 februari 2020 werden de veroordeelde, zijn raadsvrouw, deskundigen van de penitentiaire inrichting en reclassering, en de officier van justitie gehoord. De reclassering en de inrichting gaven een positief advies over de invrijheidstelling en stelden dat een persoonlijkheidsonderzoek vooraf niet noodzakelijk was. Wel was een geschikte woonplek een vereiste, waarvoor een plaatsing bij een beschermd wonen instelling geregeld was.

De rechtbank oordeelde dat op basis van de actuele informatie geen sprake was van een onvoldoende inperking van het recidiverisico door het stellen van voorwaarden. Ook was het persoonlijkheidsonderzoek niet noodzakelijk als voorwaarde. De rechtbank wees daarom het verzoek tot uitstel af en bevestigde dat de voorwaardelijke invrijheidstelling op 12 juni 2020 kan plaatsvinden, mits de woonplek beschikbaar is.

De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland en uitgesproken op 20 februari 2020.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling af en bevestigt dat de invrijheidstelling kan plaatsvinden onder voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/900256-06 en 05/510648-06
VI-zaaknummer: 99-000640-31
Datum uitspraak: 20 februari 2020
Beslissingvan de meervoudige kamer ingevolge artikel 6:2:12 van Pro het Wetboek van Strafvordering
in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[veroordeelde]

geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te P.I. [detentieadres] ,
raadsvrouw: mr. K. Bruns, advocaat te Maastricht.

De procedure

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 24 oktober 2007 is veroordeelde tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar veroordeeld.
Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 10 oktober 2006 is veroordeelde tot een gevangenisstraf van zes maanden veroordeeld.
De begindatum van de detentie van veroordeelde was 28 juni 2006.
De voorlopige datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde is 21 februari 2020. Omdat veroordeelde nog andere openstaande zaken moet uitzitten is zijn voorlopige feitelijke invrijheidsstelling bepaald op 12 juni 2020.
De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 17 januari 2020 strekt ertoe de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) uit te stellen voor de duur van 365 dagen of zoveel korter als er een passende plek voor veroordeelde is gevonden opdat persoonlijkheidsdiagnostiek kan plaatsvinden.

Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 13 februari 2020. Daarbij zijn gehoord:
- veroordeelde;
- de raadsvrouw mr. K. Bruns;
- de deskundige [naam 1] , casemanager in [PI]
- de deskundige [naam 2] , reclasseringsmedewerker; en
- de officier van justitie mr. E.J. Julsing.

De standpunten

De officier van justitie heeft betoogd dat de vordering dient te worden toegewezen en dat de v.i. moet worden uitgesteld met 365 dagen, dan wel voor een kortere periode van een half jaar. Daaraan is het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd.
Volgens de officier van justitie moet de v.i. van veroordeelde worden uitgesteld, omdat door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven onvoldoende kan worden ingeperkt. Het is van belang dat veroordeelde op een verantwoorde manier terugkeert in de maatschappij. Daarvoor is het nodig dat er persoonlijkheidsdiagnostiek over veroordeelde wordt verkregen door middel van een onderzoek door het NIFP. Pas dan kan worden beoordeeld welke voorwaarden noodzakelijk zijn voor het inperken van het recidiverisico. Ook moet gekeken worden welke begeleid wonen instelling het meest passend is voor veroordeelde. Zeker gelet op de ernst van het delict is het noodzakelijk om het onderzoek te doen voordat veroordeelde met v.i. kan. Het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de v.i. van veroordeelde en daarom acht de officier van justitie het van belang dat dit gebeurt op de manier die het Openbaar Ministerie voor ogen heeft. Dit zal niet het geval zijn als een onderzoek plaatsvindt nadat de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid is gesteld, tijdens het uitzitten van de straf van de openstaande zaak.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot uitstel van de v.i. afgewezen dient te worden. De reclassering adviseerde op 23 december 2019 positief over de v.i. Dit advies is op 15 januari 2020 aangepast omdat er op dat moment geen huisvesting beschikbaar was. Inmiddels is die huisvesting er wel, zodat dit geen reden meer vormt de v.i. uit te stellen. Veroordeelde kan immers bij [stichting] geplaatst worden zodra daar een plek voor hem beschikbaar is.
Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat door het stellen van voorwaarden het recidiverisico onvoldoende kan worden ingeperkt. Veroordeelde heeft enige tijd geleden aangegeven mee te willen werken aan een persoonlijkheidsonderzoek. Dit is echter tot op heden niet opgestart. Dit is niet aan veroordeelde te wijten en zal dan ook niet voor zijn rekening moeten komen. Daarnaast heeft veroordeelde tijdens zijn detentie grote vooruitgang geboekt. Hij heeft gesprekken gehad met inrichtingspsycholoog [naam 3] . Gelet op haar referentie is er wel degelijk informatie beschikbaar over hoe het met veroordeelde gaat en welke ontwikkelingen hij heeft doorgemaakt. Deze informatie is niet alleen relevant maar ook positief.

De beoordeling

De voorwaardelijke invrijheidstelling kan uitgesteld worden indien door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven onvoldoende kan worden ingeperkt dan wel indien de veroordeelde zich niet bereid verklaart de voorwaarden na te leven.
De rechtbank begrijpt dat het openbaar ministerie de veroordeelde met de nodige voorzichtigheid en met voldoende waarborgen wil laten terugkeren in de samenleving. Hij is immers veroordeeld voor een gruwelijk delict en in 2007 is bij hem een persoonlijkheidsstoornis geconstateerd, waarvoor hij sindsdien niet is behandeld. De rechtbank heeft echter te oordelen over de vordering op grond van de informatie die er nu ligt. Uit deze recente informatie blijkt niet dat op dit moment sprake is van recidivegevaar en dat voor het inperken daarvan een persoonlijkheidsonderzoek noodzakelijk is. Zowel de p.i. als de reclassering geven een positief advies over de v.i. en stellen daarbij een aantal bijzondere voorwaarden voor. Volgens de deskundige van de reclassering is het niet noodzakelijk dat voorafgaand aan de v.i. een persoonlijkheidsonderzoek plaatsvindt. Dit punt was ook tijdens de beoordeling van de detentiefasering van veroordeelde onderwerp van discussie. De detentiefasering van veroordeelde is op het laatste moment niet doorgegaan. Veroordeelde heeft daartegen beroep ingesteld bij de RSJ, die zijn beroep gegrond heeft verklaard. Uit de pleitnota van de raadsvrouw is gebleken dat de RSJ in de motivering hiervan heeft overwogen dat geen van de instanties een nieuw persoonlijkheidsonderzoek heeft geadviseerd. Het openbaar ministerie heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd wat er sindsdien is veranderd en waarom een persoonlijkheidsonderzoek op dit moment een noodzakelijke voorwaarde is om recidivegevaar in te perken.
Een noodzakelijke voorwaarde die door de reclassering wel is gesteld, is een geschikte woonplek voor veroordeelde. Ter zitting is gebleken dat veroordeelde is geaccepteerd bij Forensisch beschermd wonen van [stichting] en dat hij ter voorbereiding daarop zal worden opgenomen op de Forensisch Psychiatrische Afdeling van [stichting] . Er is nog geen datum bekend waarop hij daar terecht kan, maar de deskundige van de reclassering verwacht dat er binnen enkele weken, dan wel maanden een plek beschikbaar komt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de plek bij [stichting] voor 12 juni 2020, de dag waarop veroordeelde feitelijk in vrijheid wordt gesteld, beschikbaar is voor veroordeelde. Mocht er eerder dan 12 juni 2020 een plek zijn, dan kan hij daar in het kader van een detentiefasering terecht, zodat de plek niet aan veroordeelde voorbij gaat.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen grond is voor het uitstellen van de v.i.
Het openbaar ministerie stelt uiteindelijk de bijzondere voorwaarden voor de v.i. op en kan daarin uiteraard het meewerken aan persoonlijkheidsdiagnostiek als voorwaarde opnemen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst afde vordering strekkende tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.J. Wasmann, als voorzitter, mr. S.H. Keijzer en
mr. M.L. Plas, als rechters in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff en mr. J.J. Boersma, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2020.
De griffiers zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.