Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2019:554

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 februari 2019
Publicatiedatum
13 februari 2019
Zaaknummer
C/05/348325 / KG RK 19/6
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter in zaak ondertoezichtstelling minderjarige

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. E. Troost, rechter in de rechtbank Gelderland, vanwege vermeende vooringenomenheid en een laatdunkende houding tijdens eerdere zittingen. Het verzoek betrof de behandeling van een zaak over de verlenging van de ondertoezichtstelling van zijn minderjarige dochter.

De rechter heeft het wrakingsverzoek gemotiveerd weersproken en verklaard onafhankelijk en onpartijdig te kunnen oordelen. De wrakingskamer overwoog dat wraking alleen mogelijk is bij concrete feiten of omstandigheden die wijzen op vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvan.

Hoewel het wrakingsverzoek te laat was ingediend, werd het toch in behandeling genomen vanwege de naderende zitting. De kamer concludeerde dat het verzoek vooral betrekking had op procedurele beslissingen die niet via wraking kunnen worden aangevochten, maar via hoger beroep.

Er werden geen concrete feiten aangevoerd die vooringenomenheid aantonen. Het enkele feit dat de rechter eerder in het nadeel van verzoeker had beslist, is onvoldoende. Ook de vermeende laatdunkende uitlatingen werden niet onderbouwd en door de rechter ontkend.

De wrakingskamer bevestigde dat landelijke afspraken gelden om zoveel mogelijk dezelfde rechter te laten oordelen over zaken betreffende één minderjarige. De conclusie was dat geen zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid aanwezig zijn en het wrakingsverzoek werd afgewezen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid of objectief gerechtvaardigde vrees van partijdigheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/348325 / KG RK 19/6
Beschikking van 12 februari 2019
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. E. Troost,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van 21 januari 2019;
  • het schriftelijke verweer van de rechter van 29 januari 2019.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- verzoeker;
- de rechter;
- [naam 1];
- [naam 2].

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Het verzoek tot strekt tot wraking van de rechter als rechter in de procedure met nummer C/05/347092 / ZJ RK 18/1202 omtrent de minderjarige [naam 3].
2.2
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Verzoeker is van mening dat de rechter op geen enkel verzoek of opmerking van hem of zijn verdediging in wil gaan dan wel deze terzijde legt en naar zijn gevoel enkel alleen afgaat op de input van Jeugdbescherming Gelderland. De rechter wil niet naar verzoeker luisteren of zich verplaatsen in de positie van verzoeker. De rechter heeft zich tijdens een eerdere zitting ook laatdunkend over hem uitgelaten. Om die reden is verzoeker van mening dat de rechter niet op een onafhankelijke en onpartijdige manier tot een oordeel zal komen tijdens de zitting van 19 februari 2019 en verzoekt het bestuur van de rechtbank de rechter te vervangen voor die zitting.
2.3
De rechter heeft bericht dat zij niet in de wraking berust en zij heeft het navolgende verweer gevoerd.
Op basis van landelijke afspraken binnen de sectoren Familie- en Jeugdrecht is het uitgangspunt dat dezelfde rechter zo veel mogelijk alle verzoeken betreffende één minderjarige en het gezin van de minderjarige behandelt. Tegen de laatste beslissingen omtrent de verlenging van de ondertoezichtstelling en de afwijzing van de verzoeken van de persoonlijkheidsonderzoeken van de ouders heeft verzoeker geen hoger beroep ingesteld. De rechter acht zich in staat met het oog voor de belangen van alle betrokkenen onafhankelijk en zonder vooringenomenheid te oordelen over het aan haar voorgelegde verzoek van Jeugdbescherming Gelderland om de verlenging van de ondertoezichtstelling van [naam 3] op 19 februari 2019 te kunnen beoordelen. Waar verzoeker stelt dat zij zich ter zitting laatdunkend over hem heb uitgelaten, herkent de rechter zich daar niet in.

3.De beoordeling

3.1
Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996,484). Uit de artikelen 36 en 37 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de wrakingskamer het volgende.
3.2
Volgens artikel 37 lid 1 Rv Pro moet het wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt ertoe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst door de indiening van een wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht. De wrakingskamer constateert dat de aangevoerde feiten en omstandigheden voor de wraking verzoeker reeds op de zitting van 18 december 2018 bekend zijn geworden of redelijkerwijs behoorden te zijn. Verzoeker heeft pas op 21 januari 2019 een wrakingsverzoek op grond van die feiten en omstandigheden ingediend. Dat is in principe te laat en daarom zou verzoeker niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in zijn verzoek. Nu verzoeker pas recent heeft vernomen dat op de zitting van 19 februari 2019 dezelfde rechter de verlenging van de ondertoezichtstelling zal gaan behandelen, zal verzoeker in zijn verzoek worden ontvangen.
3.3
De wrakingskamer is van oordeel dat het wrakingsverzoek ziet op procedurele beslissingen van de rechter betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling van de dochter van verzoeker en het verzoek omtrent de persoonlijkheidsonderzoeken van beide ouders. De juistheid van de beslissingen kunnen op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Dat kan alleen door hoger beroep tegen de genomen beslissingen aan te wenden. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de rechter bij het geven van deze beslissingen vooringenomen was tegen verzoeker of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond, heeft verzoeker verder niet aangevoerd. Uit het enkele feit dat de rechter in het nadeel van verzoeker heeft beslist kan de wrakingskamer dat niet afleiden. Daarom moet het verzoek op dit punt worden afgewezen.
3.4
Ten slotte merkt de wrakingskamer nog op dat het landelijke afspraken zijn, die in ieder geval worden gehanteerd binnen de rechtbank Gelderland sector Familie- en Jeugdrecht, om verzoeken betreffende één minderjarige en het gezin van de minderjarige zoveel mogelijk door dezelfde rechter te laten behandelen. Dit uitgangspunt wordt dan ook nagestreefd. Een eerder mogelijke genomen onwelgevallige beslissing maakt niet dat de rechter vooringenomen zou zijn. Dat de rechter zich eerder laatdunkend over verzoeker zou hebben uitgelaten, leidt – bij gebreke aan enige onderbouwing van deze stelling - evenmin tot deze conclusie. De rechter herkent zich hierin ook niet.
3.5
De conclusie is dat er zich geen omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter vooringenomenheid koestert, althans dat een vrees van partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Het verzoek tot wraking wordt dan ook afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. S.A.M. Vrendenbarg- Elsbeek, D.S.M. Bak en A.M.P.T. Blokhuis in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.S. Verhagen op 12 februari 2019.
- de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.