ECLI:NL:RBGEL:2019:4099

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 september 2019
Publicatiedatum
10 september 2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5961
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VWEUArt. 63 VWEUArt. 65 VWEUArt. 47 HandvestArt. 17 Handvest
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen forfaitaire heffing in box 3 wegens niet-toepassing EU-recht

Eiser maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2017, met name tegen de forfaitaire heffing in box 3. Hij stelde dat deze heffing in strijd is met de vrij verkeerbepalingen van het VWEU en met artikel 47 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

De rechtbank oordeelde dat de situatie zuiver nationaal is, omdat eiser in Nederland woont en zijn vermogen op dezelfde wijze wordt belast als dat van andere Nederlandse ingezetenen. Het feit dat eiser de Duitse nationaliteit bezit en gebruik heeft gemaakt van zijn EU-burgerschap verandert hier niets aan. De rechtbank stelde vast dat eiser geen concrete feiten of omstandigheden had aangedragen waaruit blijkt dat hij door de forfaitaire heffing beperkt wordt in het ontvangen van diensten of het investeren binnen de EU.

Ook het verschil in fiscale behandeling tussen sparen via een BV of een trust werd door eiser slechts hypothetisch aangevoerd, zonder concrete voorbereiding of feitelijke situatie. Daarom liet de rechtbank dit punt onbesproken.

De rechtbank concludeerde dat de EU-rechtelijke bepalingen niet van toepassing zijn en dat ook het Handvest niet van toepassing is omdat geen uitvoering van EU-recht aan de orde is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de forfaitaire heffing in box 3 wordt ongegrond verklaard wegens niet-toepassing van EU-recht.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummer: AWB 18/5961

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.988 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.879.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 oktober 2018 de aanslag IB/PVV gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen bij brief van 29 oktober 2018, ontvangen door de rechtbank op 30 oktober 2018, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. Een kopie hiervan is aan verweerder gezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2019. Eiser is verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. [persoon A] en [persoon B] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser heeft in zijn aangifte IB/PVV 2017 inkomen uit sparen en beleggen aangegeven. Het over 2017 bijgeschreven rendement bedraagt € 949. De in 2017 bijgeschreven rente bedraagt € 1.461.
2. Met dagtekening 6 juni 2018 is de definitieve aanslag vastgesteld. De belasting over het forfaitaire inkomen uit box 3 bedraagt € 1.163.
Geschil
3. In geschil is of:
- het hanteren van een fictieve heffingsmaatstaf op rendement in box 3 een inbreuk vormt op het in artikel 56 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) neergelegde recht op vrij verkeer van diensten;
- het hanteren van een fictieve heffingsmaatstaf op rendement in box 3 een inbreuk vormt op het in artikel 63 van Pro het VWEU neergelegde recht op vrij verkeer van kapitaal van belastingplichtigen die hun vermogen uitsluitend vastleggen in spaargeld;
- er een inbreuk op artikel 65, eerste lid, in samenhang met het derde lid, van het VWEU ontstaat doordat rendementen van belastingplichtigen behaald uit privévermogen binnen de interne markt anders belast worden al naar gelang daarbij gebruik is gemaakt van de tussenkomst van een spaargeldvennootschap en/of een trust;
  • sprake is van een schending van het in artikel 17 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) neergelegde recht op eigendom;
  • sprake is van schending van het in artikel 47 van Pro het Handvest neergelegde recht op een openbaar proces.
4. Niet is in geschil of sprake is van strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Ook heeft eiser zijn grond inzake de aanslaggrens ingetrokken.
Beoordeling van het geschil
5. De rechtbank is, anders dan eiser en zoals zij ook al heeft geoordeeld met betrekking tot eisers beroep tegen de aanslag IB/PVV 2016 (rechtbank Gelderland 25 februari 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:921), van oordeel dat de door eiser genoemde artikelen van het VWEU in dit geval niet van toepassing zijn. De reden daarvoor is dat sprake is van een zuiver interne situatie waarin de vrij verkeerbepalingen van het VWEU niet van toepassing zijn. De wettelijke regeling inzake belastingheffing over rente op in Nederland gehouden bankrekeningen in box 3 geeft geen uitvoering aan het recht van de Europese Unie. Er is zowel feitelijk als juridisch sprake van een zuiver nationale situatie in de sfeer van de Wet inkomstenbelasting 2001. Eiser woont in Nederland en zijn vermogensbestanddelen worden op dezelfde wijze in de rendementsheffing van box 3 betrokken als alle andere in Nederland wonende personen. Dat eiser de Duitse nationaliteit heeft, in het verleden gebruik heeft gemaakt van zijn Unieburgerschap en zich in Nederland heeft gevestigd, maakt dit niet anders, omdat dat geen invloed heeft op de manier waarop belasting over zijn vermogen wordt geheven.
6. Eiser heeft erop gewezen dat er een verschil is tussen het sparen van geld in een BV of in een trust. Dit betreft echter een louter hypothetische stelling omdat eiser geen BV of trust heeft opgericht of al concrete voorbereidingen daarvoor heeft getroffen. Daarom laat de rechtbank in het midden of tussen de fiscale behandeling van beide rechtsvormen een ongeoorloofde ongelijke behandeling bestaat. Ook overigens heeft eiser geen concrete feiten of omstandigheden genoemd op grond waarvan hij door de forfaitaire rendementsheffing wordt beperkt in het ontvangen van diensten uit een andere lidstaat of het investeren in een andere lidstaat of vanuit een andere lidstaat. Ook heeft eiser geen concrete feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat de heffing in box 3 eiser beperkt in de uitoefening van zijn Unieburgerschapsrechten. De rechtbank verwijst verder naar wat zij heeft overwogen in haar uitspraak van 25 februari 2019.
7. Omdat geen sprake is van een situatie waarin het recht van de Europese Unie ten uitvoer wordt gelegd, zijn de door eiser genoemde artikelen van het Handvest evenmin van toepassing.
8. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Westerbaan, voorzitter, mr. J.M.W. van de Sande en mr. B.J. Zippelius, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Arts, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.