De rechtbank Gelderland behandelde op 8 februari 2018 de ontnemingsvordering tegen veroordeelde, die eerder was veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens grootschalige oplichting, witwassen en het voorhanden hebben van wapens. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €4.429.444,26, maar stelde dit ter zitting bij op €2.200.000,- vanwege dubbeltellingen en onduidelijkheden in het dossier.
De verdediging voerde aan dat niet alle bedragen als wederrechtelijk verkregen voordeel konden worden aangemerkt, omdat een deel was terugbetaald en sommige gelden afkomstig waren van personen zonder strafbaar feit. Ook werd betoogd dat contante opnames door derden niet automatisch voordeel voor veroordeelde betekenden. De rechtbank oordeelde dat aannemelijk was dat veroordeelde voordeel had genoten, maar dat het exacte bedrag niet eenvoudig vast te stellen was.
De rechtbank maakte gebruik van haar schattingsbevoegdheid en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €3.013.111,-, bestaande uit contante opnames door veroordeelde en gelden die via derden aan hem ten goede zijn gekomen. Het subsidiaire verzoek tot aanhouding van de zaak werd afgewezen omdat veroordeelde ter terechtzitting niet verscheen en geen nadere toelichting gaf.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en het bewijs uit het dossier, waaronder het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en diverse proces-verbalen. De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op tot betaling van het vastgestelde bedrag aan de Staat.