Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.De procedure
- het proces-verbaal van 19 november 2018 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- het schriftelijke verweer van de rechters van 19 november 2018;
Rechtbank Gelderland
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters die betrokken zijn bij de behandeling van zijn beroepschrift in een faillissementszaak. Het verzoek richtte zich op vermeende vooringenomenheid vanwege de afwijzing van een verzoek tot aanhouding van de hoofdzaak en andere omstandigheden.
De wrakingskamer overwoog dat wraking slechts mogelijk is bij concrete feiten die wijzen op vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De afwijzing van het aanhoudingsverzoek door de rechters was gebaseerd op proceseconomische overwegingen en niet op vooringenomenheid. Ook de stelling dat een curator kennelijk onware uitspraken deed, kon geen aanleiding zijn voor wraking.
Een aanvullende wrakingsgrond over een eerdere cassatie van een beslissing van de voorzitter werd te laat ingebracht en daarom niet in behandeling genomen. De wrakingskamer concludeerde dat verzoeker geen zwaarwegende aanwijzingen had aangevoerd voor vooringenomenheid en wees het wrakingsverzoek af.
De beslissing werd op 29 november 2018 door de rechtbank Gelderland in openbaar uitgesproken. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens ontbreken van concrete feiten die vooringenomenheid aantonen.