De rechtbank Gelderland behandelde het beroep van eiseres tegen de aanslag schenkbelasting 2016 waarbij de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet werd toegepast. De kern van het geschil betrof de vraag of de vennootschap [H] een materiële onderneming drijft zoals bedoeld in artikel 3.2 Wet IB 2001.
De vennootschap verhuurt vastgoed met een omvangrijke portefeuille, maar de rechtbank oordeelde dat de aard van de werkzaamheden niet verder gaat dan normaal vermogensbeheer. Incidentele projectontwikkeling en het rendement dat niet significant hoger is dan bij normaal vermogensbeheer, ondersteunen dit oordeel. De bewijslast rustte op eiseres om aannemelijk te maken dat sprake is van een materiële onderneming, hetgeen niet is gelukt.
De rechtbank bevestigde daarmee een eerdere uitspraak in een gelijktijdige zaak en concludeerde dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit terecht niet is toegepast. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.