Op 28 juli 2016 vond een vechtpartij plaats op een passagiersschip op de vaarroute van IJsland naar Denemarken. Verdachte werd beschuldigd van mishandeling van de aangeefster door haar bij de keel, benen, kraag en haren vast te pakken en te rukken. De rechtbank stelde vast dat verdachte de aangeefster met kracht bij de kraag van haar bodywarmer en bij de benen had vastgepakt, waarbij de aangeefster pijn en letsel had ondervonden. Voor de overige beschuldigingen waren onvoldoende bewijzen.
De verdediging voerde noodweer aan, stellende dat verdachte zich verdedigde tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door de aangeefster, die hem sloeg en schopte nadat zij op zijn schoot was beland. Getuigenverklaringen bevestigden dat de aangeefster sloeg en schopte en dat verdachte haar vastpakte om haar te kalmeren. De rechtbank oordeelde dat het handelen van verdachte proportioneel was en dat sprake was van een rechtmatige verdediging.
De rechtbank verklaarde verdachte niet strafbaar en ontsloeg hem van alle rechtsvervolging. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de Rechtbank Gelderland te Arnhem op 2 november 2018.